Hoezo de weg naar binnen, we moeten toch vooruit?

Op het eerste gezicht lijkt de weg naar binnen niet de meest logische stap als je het gevoel hebt vast te zitten of bent dolgedraaid. Uiteindelijk wil je toch vooruit… Wat wil Roemi ons in zijn Masnawi zeggen over het pad van de spirituele reiziger, de wortels van de wortels van de religie en de beginselen van ons mens-zijn? Een innerlijk leven wil niet alleen zeggen, stilstaan bij wat je denkt en voelt, het gaat ook om onze wezenlijk band met dat wat het meest werkelijk is. De weg naar binnen brengt ons dichter bij de kwaliteiten die in het hart aanwezig zijn: vertrouwen, rust, kracht en weten. Bij Roemi draait alles om de liefde, en om deze liefde bezit te laten nemen van ons hart is het belang­rijk de waarheid, de werkelijkheid, de realiteit, het ware onder ogen te zien.

Zelfreflectie in het werk van Roemi

Paperback, 360 pagina’s ISBN 9789062710744

Dichterlijk dansen met God

Baan jezelf een weg helemaal naar binnen toe:
Laat alles varen wat geen verband houdt met God.
Je bezit een elixer, smeer dat op je huid
en maak met behulp van deze kunst
— 
de alchemie —
je vijand tot vriend.

M. VI 3098-3099

Nader beschouwd gaat Roemi’s hele Masnawi — een leerdicht van zo’n 25.000 versregels, verdeeld over 6 boeken — over de weg naar binnen. De vraag in Roemi’s tijd en in die van ons is hoe we in de waan van de dag in verbinding kunnen blijven met ons hart.
De eerste verwijzingen naar de weg naar binnen vind je meteen al in het voorwoord van het eerste boek. Roemi heeft het namelijk over een bron in het paradijs die Salsabil genoemd wordt. Wat is het water van Salsabil? Het is een van de twee bronnen van barmhartigheid (Salsabil) en overvloed (Kausar) uit de Koran, waaruit de vier paradijselijke rivieren (Nijl, Eufraat, Amoe Darja, Syr Darja) ontspringen.  Een fontein met het levenswater, water waarmee je indrukken weg kunt wassen en jezelf kunt verfrissen met nieuw leven en nieuw geloof. Salsabil betekent ook, ‘vind je weg naar het paradijs door het goede te doen’ of ‘zoek de weg’. De weg naar de tegenwoordigheid van de meest Verhevene is nu open. Het feestmaal staat klaar. Bereid je erop voor of ‘vraag naar de weg’ (het middel tot eenheid met God). Roemi zegt verderop in zijn Masnawi:

Brood, dat op het tafelkleed ligt, is een onbezield ding,
maar in het menselijk lichaam wordt het een blijde geest des levens.
De verandering komt niet tot stand op het tafelkleed;
het wordt door de dierlijke ziel
met behulp van het water van de Salsabil
in hoger leven omgezet.

M. I, 1474-75

Aan het eind van zijn leerdicht maakt hij nog een verwijzing:

Maak geen weg vanuit je begeerte,
maar vraag de weg in de richting van al-Salsabil
aan de luisterrijke tegenwoordigheid van God.

M. VI, 3502

Kortom, de zoete, spijsvertering bevorderende ‘gemberdrank’ van Salsabil is een beeld voor transformatie.
Voor mij is de weg naar binnen niet een proces waarbij ik mij afsluit, maar juist contact maak, en in verbinding kom met een innerlijke bron voor vernieuwing en herstel. Omdat mijn zintuigen en psychisch gestel nu eenmaal onderhevig zijn aan oververzadiging, kan ik zo met een frisse blik blijven kijken. Deze beweging van buiten naar binnen kun je beluisteren in de klaagzang van het riet. Een lied van liefde, eenheid, scheiding en verlangen.

De religieuze weg naar binnen

Voor Roemi maakt de weg naar binnen deel uit van de tariqa, het religieus mystieke pad binnen de islam. In het Westen wordt het ook wel soefisme genoemd. Het is niet zoals velen denken, een religie waar geen plaats is voor twijfel of een andere vorm van religieus beleven. Uit de volgende woorden van Roemi’s metgezel, Sjams van Tabriz, begrijp ik dat het zelfs niet vreemd is om van je geloof te vallen.

Waar twee oceanenVolgens mij wordt niemand in een keer gelovig.
We geloven nu eens wel, dan weer niet.
Dan worden we weer gelovig
en komt er telkens iets meer van ons naar buiten
tot we volmaakt zijn.

Sjams van Tabriz, M I, 226:5-7

In het soefisme gaat het om het innerlijk ervaren van het ene enkele profetisch licht dat uitgaat van Adam en Eva, Abraham, Noach, Mozes, Jezus en Mohammed, maar ook van ontelbare anderen die bekend of onbekend zijn aan de wereld. Om de zoveel tijd komen ze met een boodschap die telkens weer verkeerd begrepen wordt. De symbolische verhalen van vroegere profeten en heiligen verwijzen op een beeldende manier naar de zich steeds herhalende beproevingen en dilemma’s in het leven van een mens. Deze verhalen worden pas echt betekenisvol als we ze op ons eigen leven betrekken en onze eigen spirituele werkelijkheid daarin verwezenlijkt zien.
Dit universeel menselijke aspect van het soefisme staat heel dicht bij wat ze in de islam fitra noemen: je aangeboren gevoel voor religie, een soort van ‘oerreligie’ die ieder mens in zich heeft. En in wezen zijn alle religies een benadering of een weg om die aangeboren oerreligie te ervaren.’
De Duitse filosoof Peter Sloterdijk zegt in zijn boek Je moet je leven veranderen: ‘Het is het talent voor ‘religiositeit’, in de zin van een aangeboren aanleg die ontwikkeld kan worden, en het is dus terecht vergelijkbaar met muzikaliteit. Men kan zich erin oefenen, zoals men melodische passages of syntactische patronen oefent.’

Naast alle uiterlijke vormen van aanbidding binnen de islam, zoals het bidden, vasten, het geven van aalmoezen en de bedevaart, gaat het bij Roemi vooral om de intentie.  Dit wil zeggen dat je je leven in dienst stelt van een hoger spiritueel doel.

Paperback, 223 pagina’s ISBN 9789062719631

Een dagboek van spirituele leiding

Als liefde alleen spiritueel zou zijn,
zouden oefeningen als vasten en gebed
niet bestaan.
De geschenken die minnaars elkaar in liefde geven
zijn enkel vormen,
maar leggen getuigenis af
van een onzichtbare liefde.

M. I, 2625-2627

Baan jezelf een weg

Maar ook de weg naar binnen vraagt dus om een bepaalde discipline en inzet. Wie nietsvermoedend zijn eerste stappen zet op het innerlijk pad, ontdekt al gauw de enorme tegenkrachten die dit oproept. Zo herinner ik mij de eerste keer dat ik een poging deed om te mediteren. Ik had mij voorgenomen elke dag 10 minuten in kleermakerszit niets te doen en stil te zijn. Ik werd eigenlijk meteen overspoeld door de enorme activiteit in mijn hoofd. Voordat ik het wist stond ik weer rechtop, klaar om iets te gaan doen.

Je kunt geen moment stil zitten,
je kunt niet rusten tot je iets goeds of slechts
hebt voortgebracht.
Die aandrang tot handelen
brengt wat er in je omgaat
duidelijker naar buiten.
Hoe kan de haspel —
het lichaam —
verstillen wanneer het einde van de lijn —
de geest — eraan trekt?

M. II, 996‑998

Is er eenmaal een basis gelegd voor innerlijke ervaren, dan zijn er ook andere manieren om te reflecteren, af te stemmen en in verbinding te zijn, zoals wandelen in de natuur, creatieve expressie en samenwerken. In de jaren 90 van de vorige eeuw is veel onderzoek gedaan naar de gezondheidseffecten van meditatie. Algemene conclusie is dat meditatie en zelfreflectie de geest en het hart verruimt en een soort kennis oplevert waardoor je beter gehoor kunt geven aan wat het leven van je vraagt. We noemen deze vorm van kennis ook wel het grotere plaatje.

MASNAVIEen aantal mensen stelde eens een olifant ten toon in een verduisterd huis. Horden mensen gingen naar binnen, de duisternis in, om het beest te zien. Toen de bezoekers merkten dat dat niet kon met het oog, deden ze het op de tast.

De hand van de een kwam in aanraking met de slurf. ‘Dit schepsel lijkt op een waterspuwer’, zei hij.

De hand van een ander kwam in aanraking met het oor van de olifant. Volgens hem leek het beest op een waaier.

Weer een ander wreef over zijn poot. ‘Volgens mij voelt de olifant aan als een pilaar’, zei hij.

Nog weer een ander legde zijn hand op zijn achterwerk. ‘De olifant is als een troon’, zei hij.

Het zintuiglijk oog is als de palm van een hand. De handpalm kan met geen mogelijkheid het hele beest omvatten.
Het oog van de zee – het oog van het hart, het oog van de werkelijkheid, zien als met het oog van God — is één ding, het schuim — de verschijnselen — een tweede. Laat het schuim het schuim en kijk met het oog van de zee. Dag en nacht beweegt het schuim op de zee. Hoe vreemd! Het schuim zie  je wel, maar de zee zie je niet. Wij zijn als bootjes die tegen elkaar botsen. Ons oog is verduisterd, maar het water is helder.

Verder heeft men ontdekt dat het meditatieve proces verloopt in een aantal fasen.
In de eerste fase neem je afstand van je situatie en doe je een stapje terug. Zo ontstaat er meer ruimte voor verandering en kan er een verschuiving optreden in je perspectief.
In tweede fase stemmen de zintuigen zich af op de prikkels die zich in het moment aandienen. Onze dagelijkse gedachten en beslommeringen raken wat meer op de achtergrond en we hebben weer oog voor de kwaliteiten van alles om ons heen.
De derde fase – zelfbewustzijn – is gericht op het zelf. Het vraagt om een veilige, afgezonderde plek waar je naar binnen kunt keren voor zelfreflectie.
De vierde fase – spiritueel bewustzijn – maakt dat je je bewust wordt van een diepere verbondenheid, waardoor het gevoel van welbevinden zich verruimt en de tijd stil lijkt te staan.
Roemi noemt dit afstand nemen van je situatie en een stapje terug doen ‘versterven aan het zelf’. Het volgende gedicht weerspiegelt de 5 niveaus van ons bestaan: als mineraal, plant, dier, mens en engel.

JuwelenEdele vrienden, slacht deze koe als je je inzicht wilt verheffen.
Ik liet het mineralenrijk achter me en begon te groeien.
Ik liet het plantenrijk achter me en bereikte de dierlijke staat.
Ik liet het dierenrijk achter me en werd Adam.
Wat heb ik dan te vrezen?
Ben ik van sterven ooit minder geworden?
Straks laat ik het menszijn achter me
stijg op en word een engel.
Toch moet ik zelfs de staat der engelen ontvluchten, want
alles vergaat behalve Zijn Gelaat.
Opnieuw word ik geofferd en laat het engelenrijk achter me,
ik word wat niet voorstelbaar is —
ik besta niet meer.
Niet-bestaan zingt luid en duidelijk zijn melodie:
Waarlijk, tot Hem zullen wij wederkeren!

(M. III:3900-3906)

De ziel is volgens de leer van de soefi’s – of je je dat nu al dan niet bewust bent – op zeven niveaus verbonden met God: mineraal, plantaardig, dierlijk, hoe je overleeft als persoon, hoe je leeft als echt mens, als geheim en als innerlijk geheim, elk met hun unieke gaven en vaardigheden.

Het mineraal vinden we terug in ons beendergestel. Het geeft ons innerlijke steun, maar een teveel veroorzaakt onbuigzaamheid.
De plant vinden we terug in onze lever en houdt verband met onze spijsvertering. Zij zorgt ervoor dat we gezond blijven, genezen en gevoed worden. Een teveel kan leiden tot bepaalde tekorten, inertie of hyperactiviteit.
Het dier vinden we terug in ons hart en bloedsomloop. Het zorgt ervoor dat we gemotiveerd zijn. Een teveel veroorzaakt woede, hebzucht en genotzucht.
De mens vinden we in ons spirituele hart. De mens is herkenbaar aan zijn intelligentie en een gezond ego. Een teveel aan menselijke kwaliteit veroorzaakt overgevoeligheid.
De engel vinden we in de diepte van ons spirituele hart. Dit wezen is één en al onthechting en wijsheid. Een teveel leidt tot het afwijzen van de wereld.

In tijden van beproeving
is het spirituele leven kennis.
Hoe meer kennis je hebt,
hoe spiritueler je bent.
Onze geest is meer dan de dierlijke geest.
Hoe dan?
Hij heeft meer kennis
De geest van de engelen
is verfijnder dan die van ons,
hij gaat het verstand te boven.
Maar de geest van de heilige is nog verfijnder.
Laat je hierdoor niet verbijsteren.
M. II, 3326-3329

Wijsheidstraditie van de soefi’s

Soefi’s hebben zich altijd beziggehouden met de uiterlijke én innerlijke wetenschappen. De uiterlijke wetenschappen bestude­ren de wereld om ons heen, de innerlijke wetenschappen bestu­deren hoe deze wereld bij ons binnenkomt.
Volgens de wijsheidstradities bestaan er 4 kennisvelden: 1. zelfkennis; 2. weten wat er in anderen omgaat; 3. weten hoe je bij anderen overkomt; 4. kennis over de waarneembare wereld. Men gaat er in deze traditie van uit dat bijvoorbeeld weten wat er in een ander omgaat, alleen mogelijk is als je zelfkennis hebt. En op dezelfde manier kun je niet goed beoordelen hoe je bij een ander overkomt als je niet weet wat er in een ander omgaat. En als laatste is kennis over de waarneembare wereld onvolledig als kennis uit die andere velden ontbreekt.

Zelfkennis

Het soefi-pad kent zowel een theoretische als een ervaringsgerichte dimensie. Dit laatste betreft een proces van innerlijke staving of spirituele intelligentie, berustend op eigen ervaring, die bepaalde stadia doorloopt. Een voorbeeld van deze kennis die licht werpt op de kenner die kent geeft Sjams van Tabriz in de volgende passage waarin hij zijn toehoorders aanspoort om dieper te kijken:

Iemand zegt: ‘God is één.’ Ik zeg: ‘Maar wat betekent dat nou voor jou? Jij bevindt je in de wereld van verdeeldheid, honderdduizenden stofjes, elk stofje verstrooid, verschrompeld en bevroren in deze wereld. Hij is Degene die is. Zijn bestaan is zonder begin of einde. Maar wat betekent dat voor jou? Jij bent dat niet.’ [Maqalat I, 280:15-17]

Er is nog een andere passage waar hij leerlingen die zich teveel verliezen in een theoretische discussie, wil terugbrengen naar hun eigen ervaringen:

Wat maakt het jou uit of de wereld eeuwig is? Leer je eigen eeuwigheid kennen – ben je eeuwig of kom je net kijken? Je kunt de tijd die je nog rest beter besteden aan hoe het vanbinnen met je gesteld is. Waarom zou je tijd besteden aan het onderzoeken van de eeuwige wereld? Het verwezenlijken van God is iets dieps. Stommeling, jij bent diep. Als er iets is dat diep is dan ben jij het wel. Wat ben jij voor een vriend als je het innerlijk, de aderen, de vezels en het gezicht van je vriend niet kent als de palm van je hand? Wat ben jij voor een dienaar van God als je Zijn geheim en innerlijk niet kent? [M. I, 221:19-24]

In het eerste kennisveld vraag je jezelf dus af: Wat gaat er in mij om? Wat geeft mij vreugde? Wat doet mij pijn? Wat geeft mij kracht? Wat maakt mij kwetsbaar? Kan ik doen wat ik wil doen in mijn leven? Is dit inzicht van waarde voor hoe ik in het leven sta?

In de Alchemie van het geluk zegt al-Ghazâlî: ‘Niets is je meer nabij dan jezelf. Hoe kun je anderen kennen als je jezelf niet kent? Je zegt misschien: “Ik ken mezelf”, maar dan heb je het mis… Het enige wat je over jezelf weet, is je uiterlijke verschijningsvorm. Het enige wat je over je innerlijk weet, is dat je eet wanneer je honger hebt, vecht wanneer je boos bent en geslachtsgemeenschap hebt wanneer je wordt verteerd door hartstocht. In die zin ben je niet anders dan een dier. Zoek de werkelijkheid in jezelf… Wat ben je? Waar kom je vandaan en waar ga je naar toe? Wat is je rol in deze wereld? Waarom ben je geschapen? Waar ligt je geluk? Wie zichzelf wil leren kennen, moet weten dat hij uit twee dingen is geschapen. Het ene is je lichaam, de uiterlijke verschijningsvorm die je met je ogen kunt zien. Het andere zijn de krachten die vanbinnen werkzaam zijn. Dat is het deel dat je niet kunt zien, maar dat je met je inzicht kunt leren kennen. De werkelijkheid van je bestaan is gelegen in je innerlijkheid. Alles staat in dienst van het innerlijke hart.’

Waarom verbetert wie zijn eigen fouten ziet
vóór hij die van anderen opmerkt
zichzelf niet?
Mensen van de wereld kijken niet naar zichzelf
en geven dus een ander de schuld.
M. II, 880‑881

De gangbare opvattingen
brengen onze ziel ten val.
Het is iets geleends dat we ten onrechte houden
voor iets van onszelf.
Dan kun je maar beter onwetend zijn,
de kluts kwijt zijn.
Als je jezelf betrapt op eigenbelang, berg je dan.
Drink met kleine teugjes van het vergif
en laat de kruik met levenswater overstromen.
Beschimp wie je vleien.
Leen zowel de rente als de hoofdsom aan de armen.
Laat je zekerheden varen
en voel je thuis te midden van gevaar.
Laat je goede naam achter en verlies je gezicht.
Ik heb altijd bedachtzaam geleefd,
nu ga ik over tot waanzin.
M. II, 2327‑2332

Weten wat er in anderen omgaat

Als ik naar een ander luister en weet wat er in mij omgaat, kan ik ook beter invoelen wat er in de ander omgaat. Ik zie echt wat er speelt en begin te begrijpen wat ik zie. Je kunt je buurman tenslotte alleen begrijpen als je je zelf begrijpt. Het is natuurlijk altijd makkelijk te denken dat een ander geen innerlijk leven heeft, dat net zo complex, subtiel en kwetsbaar is als dat van ons.

Het hart eet een bepaald voedsel
van iedere metgezel.
Het hart ontvangt bepaalde voeding
van elk afzonderlijk stukje kennis.
M. II, 1089

Waaraan herken je je echte vrienden?
Pijn is hun even dierbaar als het leven.
Een vriend is als goud. Moeilijkheden zijn als vuur.
Puur goud schept behagen in het vuur.
M. II, 1458; 1461

Wanneer twee mensen
met elkaar in aanraking komen,
hebben ze ongetwijfeld iets gemeen.
Een vogel vliegt toch alleen maar
met zijn eigen soort?
M. II, 2101‑2102

Weten hoe je bij anderen overkomt

Zelfkennis is pas compleet als je weet hoe je bij anderen overkomt. Zonder dit laatste leef in je in de illusie van je eigen goede bedoelingen, je weet dus niet wat voor effect je hebt op anderen. Het gaat er niet om wie er gelijk heeft, je wordt je, omdat we als een spiegel zijn voor elkaar, meer bewust van jezelf. Net zoals mededogen een voorwaarde is voor het tweede kennisveld, is onbaatzuchtigheid een voorwaarde voor het derde kennisveld. Het is dus niet nodig jezelf te verdedigen.

Gelukkig de ziel
die haar eigen fouten heeft gezien.
en als iemand op een fout wees
daarvoor graag
de verantwoordelijkheid wilde nemen.
Want de helft van ieder mens
behoort tot de wereld
waar fouten worden gemaakt,
maar de andere helft behoort tot
het Koninkrijk van het Ongeziene.
M. II, 3034‑3035

Je hebt het klankbord
dat goede vrienden in wezen zijn nodig
tot je zonder de hulp van enige weerklank 
iemand wordt
die water aandraagt uit de Zee.
Weet dat de weerspiegeling
eerst enkel imitatie is,
maar wanneer ze zich blijft herhalen,
wordt tot een directe verwezenlijking
van de waarheid.
Scheid tot dat ogenblik niet van de vrienden
die je tot gids dienen,
breek niet weg van de schelp
als de regendruppel nog geen parel is geworden.
M. II, 566‑568

Als je een toetssteen hebt, ga je gang, kies.
Ga anders in de leer bij iemand
die goed kan onderscheiden.
Je moet ofwel een toetssteen hebben
in je eigen ziel,
ofwel, als je niet weet hoe of wat,
iemand zoeken die dit vermogen wel bezit.
M. II, 746‑747

Soms is het beter
met een onwellevend mens samen te zijn,
dan alleen.
Zelfs al is de klink beschadigd,
ze zit tenminste vast aan een deur
M. II, 1360

Kennis over de waarneembare wereld

Het soefisme geeft mensen de inspiratie de schoonheid te zien van alles om zich heen. Het onverzoenlijke Westerse conflict tussen wetenschap en religie lijkt in het wereldbeeld van de soefi’s minder aanwezig. Ook al volgt men de wetenschappelijke ontdekkingen op de voet, er blijft altijd ruimte voor Gods leidende hand. Een voorbeeld daarvan is het verhaal van Ibn Tufayl (d. 1185) over Hayy ibn Yakzan (Levend, zoon van wakend). ‘Een man die vanaf zijn geboorte in volstrekte afzondering opgroeit, slaagt erin op eigen kracht de geheimen van de hem omringende natuur te doorgronden en ten slotte ook in spiritueel opzicht het hoogste te bereiken waartoe de mens kan komen. Zijn geest laten versmelten met het goddelijke.’

Wanneer je je eigen slimmigheid hebt gezien,
volg haar dan terug naar haar oorsprong.
Wat beneden is komt van boven.
Kom, richt het oog omhoog.
M. II, 1973‑1974

Wie ziet zonder vervorming, vrij van vooroordeel,
heeft licht in de ogen.
Eigenbelang maakt je blind
en begraaft je kennis in een graf.
Het ontbreken van vooroordeel
maakt onwetendheid wijs;
de aanwezigheid van vooroordeel
perverteert kennis.
Als je geen steekpenningen aanneemt,
heb je een heldere blik,
als je zelfzuchtig optreedt,
word je een blinde en een slaaf.
M. II, 2750‑2753

God heeft van het uitspansel,
zo mooi en luisterrijk, gezegd:
“Keer je blik er dan weer heen.”
Stel je wat dit dak van licht betreft
niet tevreden met slechts één blik:
kijk vele keren:
“Zie jíj onvolkomenheden?”
Weet dan, omdat Hij je heeft gezegd
vaak naar dit voortreffelijke dak te kijken
en het op oneffenheden te inspecteren,
om hoeveel onderscheidingsvermogen
de donkere aarde vraagt.
M. II, 2946‑2949

Winter en herfst, de barre jaargetijden,
de hitte van de zomer, de lente als levenskracht,
wind, wolken en weerlicht — zij helpen alle
om helder te kunnen onderscheiden,
opdat de zandkleurige aarde
alles kan voortbrengen wat zij in haar hart heeft —
robijn of dof gesteente.
M. II, 2951‑2953

1 Comment

  • Reply November 7, 2016

    Dominique

    Hallo
    Ik vind dit een hele mooie website, heb nu helaas geen tijd om verder te lezen, maar kom zeker terug.
    Beste groeten,
    Dominique

Leave a Reply