Het geheel en het deeltje

Toen ik voor het eerst in de Masnawi begon the lezen kreeg ik al na een paar bladzijden het gevoel dat ik het verband uit het oog begon te verliezen. Door alle verhalen die Roemi als een parelketting aan elkaar heeft geregen met leringen, extatische gebeden en metafysische bespiegelingen, werd mijn aandacht juist getrokken naar de betekenis en schoonheid van een enkele versregel, een enkel gebed of een enkel verhaal. Op die manier lezend  (regel voor regel) trek je van oceaan naar oceaan (az darya be darya) en ontdek je schatten in het zand die je een tijdlang bij je wilt houden.  Het was net of mijn geheugen steeds tekort schoot om het verband te zien tussen de ene en de andere passage. Toch keerde ik telkens weer terug naar de Masnawi en vond nieuwe betekenissen die van onschatbare waarde zijn voor een reiziger op het pad van de liefde. Dit regel voor regel lezen past goed bij een eerste kennismaking omdat het de richting is van de voortschrijdende tijd, een bepalende factor in het leven hier op aarde. Toch bleef de Masnawi aan mij trekken om een groter verband te zien. Ik werd uitgenodigd mijn ‘huidige moment’ te vergroten. Deze beweging van lezen naar mediteren, van mediteren naar bidden, van bidden naar contemplatie, gebruikt Mevlana Roemi veelvuldig in zijn gedichtenbundel Diwan-e Kebir. Hij sluit zijn odes vaak af met het woord khamush, stop, wees stil, mijmer en vraag jezelf af, waar sta ik in alles wat zich hier afspeelt? Doordat je je verbindt met de tekst en met datgene waar in je dagelijkse leven tegen aanloopt, biedt het direct inzicht, waardoor je beter begrijpt wat er gaande is. Zo zegt Roemi zelf ergens in zijn Masnawi:

De gedichten zijn slechts de uiterlijke vorm

jij bent er zelf de ziel van.

Jij bent er ook de verschillende gezichten,

het licht en de pijlers van. 

Willen we verbanden gaan zien met betrekking tot de inhoud en betekenis van de Masnawi als geheel, dan is een andere manier van lezen nodig. Een eeuwenoude techniek die schrijvers gebruiken om extra betekenis toe te voegen aan de tekst wordt chiasma of parallellisme genoemd. De tekst wordt dan een architectonisch bouwwerk waardoor de ene passage naar de andere verwijst en daaraan betekenis ontleent. Deze manier van doordringen tot de tekst wordt synoptisch lezen genoemd. De onderliggende structuur van het bouwwerk heeft dan de vorm van een tabernakel (min of meer rechthoekig). Volgens de traditie zou deze vorm afgeleid zijn van de heilige berg Sinai.

Een eenvoudig voorbeeld van chiasme of kruisstelling kun je vinden in het volgende korte gedicht van de Nederlandse dichter J.C. Bloem (1887-1966):

Denkend aan de dood kan ik niet slapen,

En niet slapend denk ik aan de dood.

Dood en niet slapen vormen hier een kruis waardoor benadrukt wordt dat bewust leven met zich meebrengt dat je je bewust bent van de dood.

Een iets langer voorbeeld van chiasme vinden we in het danklied voor de oogst, Psalm 67 van David (In de islamitische traditie wordt het boek van David de heilige Zabur genoemd):

  1. God wees ons genadig en zegen ons. Laat het licht van uw gelaat over ons schijnen. Sela
  2. Dan zal men op aarde uw weg leren kennen, in heel de wereld uw reddende kracht.
  3. Dat de volken u loven, God, dat de de volken u loven.
  4. Laten de naties juichen van vreugde, want u bestuurt de volken rechtvaardig en regeert over de landen op aarde. Sela.
  5. Dat de volken u loven, God, dat de de volken u loven.
  6. De aarde heeft een rijke oogst gegeven. God, onze God, zegent ons.
  7. Moge God ons blijven zegenen, zodat men ontzag voor hem heeft tot aan de einden der aarde.

Vers 1 correspondeert met vers 7 omdat wat gevraagd wordt in het eerste vers in vervulling gaat in vers 7. Vers 2 correspondeert met vers 6 omdat ze beide gaan over de toestand op aarde. Eerst wordt er gebeden voor hoe het zou kunnen zijn en dan volgt de bevestiging wat er door Gods zegen van gekomen is.  Vers 3 correspondeert met vers 5 omdat het een herhaling is maar er is sprake van een verschuiving van het thema aarde naar hoe de mensen zich zouden moeten gedragen. Versregel 4 staat op zichzelf en correspondeert met geen enkele andere vers. Het vormt de kern van het lied en weerspiegelt de centrale boodschap, de werkelijke inhoud van het geheel. In de buitenste schil (vers 1-7) gaat het over God, in de volgende schil (vers 2-6) over de aarde en in de daarop volgende schil (vers 3-5) gaat het over de mensen op aarde. In het middelste vers (4) worden God, de aarde en de mens samen gebracht in de kernboodschap dat God de rechtvaardige rechter is die de mensen op aarde leidt, dat ze blij moeten zijn met zijn bestuur en ontzag voor hem moeten hebben.

Laten we nu eens zien hoe de eerste 35 versregels van de Masnawi met elkaar samenhangen:

  1. Luister naar het klagende geluid van de rietfluit, hoor hoe hij vertelt over de scheiding:
  2. Sinds ik van het rietveld werd afgesneden, heeft mijn klacht man en vrouw tot tranen toe geroerd.
  3. Ik smacht naar een hart dat wordt verscheurd door de scheiding om het deelgenoot te kunnen maken van de pijn van het verlangen.
  4. Wie ver van zijn oorsprong is afgedwaald, verlangt terug naar de tijd dat hij ermee verenigd was.
  5. Overal zong ik voor mensen mijn klaaglied, en voegde mij bij hen die bedroefd of blij zijn
  6. Zij werden allen mijn vriend omdat ze hoorden wat ze wilden horen maar geen van hen zocht mijn innerlijk geheim.
  7. Dicht ligt mijn geheim bij mijn verdriet, maar oog en oor ontbreekt het aan het licht om het te kunnen zien.
  8. Er is geen sluier (mastoer) tussen lichaam en ziel noch tussen ziel en lichaam, maar het is geen mens beschoren (dastoer) de ziel te zien.
  9. Het schreien van de rietfluit is als een laaiend vuur, het is niet als de wind. Moge wie dit vuur niet bezit wegwaaien met de wind!
  10. De rietfluit verlokt ons, daar ze wordt aangeblazen door het vuur van de liefde, de liefdesgloed doet de wijn fonkelen.
  11. De rietfluit is een metgezel voor wie door liefdesverdriet wordt gekweld, zijn melodieën hebben de sluiers verscheurd.
  12. Wie zag ooit gif en tegengif zo dicht bijeen als in het riet? Wie zag ooit meevoelend vriend én smachtend minnaar zo dicht bijeen als in het riet?
  13. Het riet spreekt van een tocht vol bloed en tranen, vertelt het lang verhaal van Madjnoens wanhopige hartstocht.
  14. De zin van dit alles wordt slechts toevertrouwd aan wie de zintuigen voorbij is, wat de tong spreekt wordt enkel door het oor verstaan.
  15. In ons verdriet zijn onze dagen tot nacht geworden, dag na dag worden we gekookt.
  16. Het leven gaat zo snel voorbij. Laat het los. Het stelt niets voor. Wanneer U maar blijft bestaan, want niemand is zo zuiver als U.
  17. Een vis is volledig in zijn element in het water, maar zijn dorst wordt nooit gelest. Wie niet krijgt wat hij nodig heeft om te groeien vallen de dagen lang.
  18. Maar…wat weet wie onrijp is, van rijpheid? Hier laat ik het dus maar bij. salaam!
  19. Verbreek de banden en wees vrij, mijn zoon, waarom zou je de een slaaf zijn van zilver en goud?
  20. Al giet je een zee leeg in een kruik, meer dan een dagrantsoen gaat er niet in.
  21. Een gretig oog is als een kruik die nooit vol raakt, de oester vult zich pas met parels als de schelp verzadigd is.
  22. Hij wiens kleed door liefde is gescheurd wordt gezuiverd van hebzucht en verkeerde neigingen.
  23. Welkom, gelukschenkende liefde, jij bent de geneesheer voor al onze kwalen.
  24. Jij bent voor ons een remedie tegen hoogmoed en ijdelheid zoals een Plato en een Galenus.
  25. Door de liefde steeg het aardse lichaam naar de hemel op, de berg begon te dansen en werd lichtvoetig.
  26. Liefde bezielde de berg Sinaï, o minnaar, waardoor hij dronken werd en Mozes bewusteloos ter aarde viel.
  27. Als ik net als de fluit aan de lippen van de vriend gezet werd kon ik alles zeggen wat gezegd kan worden.
  28. Maar wie gescheiden wordt van iemand die dezelfde taal spreekt kan geen woord meer uitbrengen hoeveel geluid hij ook maakt.
  29. Als de roos is verdwenen en de tuin is verwelkt hoor je niet meer het verhaal van de nachtegaal.
  30. De Geliefde is alles, de minnaar slechts een sluier; de Geliefde is levend, de minnaar een dood ding.
  31. Wanneer liefde haar kracht gevende zorg onttrekt, blijft de minnaar achter als een vogel zonder vleugels.
  32. Hoe kan ik wakker en bewust zijn als het licht van de Geliefde afwezig is?
  33. Liefde wil dat dit woord aan het daglicht wordt gebracht. Wat stelt een spiegel voor die niets weerspiegelt?
  34. Weet je waarom hij niets weerspiegelt? Omdat de roest nog niet van haar oppervlak is geveegd.
  35. Luister mijn vrienden, naar dit verhaal: dit is de kern van wat er werkelijk in ons omgaat.

Zo kun je in de eerste 35 openingsregels van de Masnawi 8 thematische stukjes of paragrafen onderscheiden: A. versregel 1; B.vers 2-7; C. vers 8-15; D. vers 16-18; D*. vers 19-22; C* vers 23-26; B* vers 27-34; A* vers 35. Net als in het voorbeeld van het danklied wordt er de eerste helft een probleem of een onderwerp naar voren gebracht dat in de corresponderende tweede helft wordt opgelost of getransformeerd of op een of andere manier wordt beantwoord.  Versregel 18 (ongeveer in het midden) heeft in de openingsverzen de werking van een scharnier. Je zou ook kunnen zeggen dat er tussen vers 18 en 19 een spiegel staat waarin de delen elkaar weerspiegelen. De spreker in vers 18 richt zich tot ‘wie onrijp is (de nieuweling) en in regel 19 tot ‘mijn zoon’ (de ingewijde).

Vers 1 (paragraaf A) correspondeert met vers 35 (A-A*) omdat ze beide beginnen met het woord ‘luisteren’.  Maar er is een dramatische verschuiving in perspectief. In A. en de daarop volgende regels wordt een gevoel van verlies, eenzaamheid; een niet onderzocht, subjectief eigen verhaal en een grief over de pijnlijke scheiding tot uitdrukking gebracht en in A* (vers 35) keert zich dat om en richt de spreker zich tot zijn vrienden om het betekenisvolle verhaal van onze (elke lezer, de mens) innerlijke werkelijkheid te delen.

Vers 2-7 en vers 27-34 (B-B*) corresponderen omdat het in beide paragrafen gaat over het ego-zelf, maar de stemmen vormen een contrast. Het ‘ik’ in de eerste helft is eenzaam, wanhopig, geïsoleerd, getroffen door verlies en afgesneden van zijn goddelijke bron en van de mensen om zich heen die aan de buitenkant sympathiek lijken (maar van binnen onverschillig zijn). Het kan alleen nostalgisch en met wrok weeklagen en verlangend uitzien. Met andere woorden, de toestand van vervreemding van de dode, ontwortelde, kwetsbare en getraumatiseerde rietstengel die zich in het tweede deel verbeeldt dat hij is als de transformerende adem en aanraking van de goddelijke musicus. Aan het eind van het tweede deel wordt de individualiteit van de spreker versluierd door de onderliggende kus van eenwording met de liefhebbende goddelijke adem (levend, liefde, kracht gevende zorg, licht, woord, de spiegel van het hart). Hij maakt nu deel uit van van de gezamenlijke, muzikale schepping waar alle menselijke instrumenten aan meedoen, zelfs degenen wiens hart tijdelijk door afleidingen, verlies, gehechtheid of eenzaamheid verduisterd is geraakt.

Vers 8-15 en vers 23-26 (C-C*) corresponderen omdat zij vanuit twee verschillende, maar vooruitstrevende en elkaar aanvullende perspectieven blijk geven van de manifestatie en waarneming van de goddelijke liefde. In de eerste helft wordt het belang van de transformerende liefde wel erkent maar alleen vanuit het nauwe, zelf-beperkende perspectief van het eenzame, klagende riet. Het richt zich op een onstuimige hartstocht met de bekende poëtische klaagzang en de symbolen van lijden en  innerlijke onrust verbonden met de liefde. Bloed (staat voor niet te beheersen emoties), dolle dwaasheid (dit is wat de naam Madjnoen letterlijk betekent), vergif, verdriet, gekookt en de liefdesgloed die de wijn doet fonkelen.  Het enige positieve wat hier aanvankelijk wordt genoemd is de bevrijdende kracht van de liefde waarmee we door de sluiers en illusies van scheiding kunnen heen breken. Pas in het midden van het eerste deel (vers 11-12) is er is sprake van erkenning voor de centrale rol van de goddelijke vriend, de leidsman en beschermer (yar/wali). Eerst als het ongedefinieerde universele tegengif tegen een aanhoudende levenspijn, daarna als een onmisbare troost voor de smachtende minnaar en tenslotte als de ware boezemvriend, de adem-schenkende, adem-spelende (dam-saz) musicus achter het lied van het riet. In vers 23-26 verwelkomt en viert Roemi dat liefde ‘ons’ weer het menselijke perspectief terug heeft gegeven, ons weer in balans heeft gebracht en dat we voor ons welzijn afhankelijk zijn van de goddelijke werkelijkheid van de liefde, iets wat alleen gezien kan worden door mensen die net als wij minnaars zijn. De archetypische ervaringen van het verschijnen van God aan Mozes en Mohammed zijn een toespeling op de hoge vluchten, de transformerende invloed en spirituele genezing die uitgaat van de liefde. De goddelijke werkelijkheid die eerst zo moeilijk viel is nu makkelijk geworden door de tegenwoordigheid van de alomvattende, creatieve en verlossende liefde. Een verschil van dag en nacht!

Vers 16-18 en 19-22 (D-D*) corresponderen omdat we in vers 16-18 herinnerd worden aan onze onvergetelijke momenten met de goddelijke vriend en aan de onvermijdelijkheid dat we daarna gekweld worden door gehechtheid, een pijnlijk gevoel van verlies en een onbevredigd verlangen. Dit zou ons meteen weer naar beneden kunnen trekken. In vers 19-22 worden we herinnerd aan de beoefening van zuivering en onthechting om onszelf gaandeweg te bevrijden van hebzucht en verkeerde neigingen.

Door de parallellen die met elkaar in contrast zijn wordt een soort existentieel ‘mysterie’ blootgelegd. We beginnen steeds beter te begrijpen wat deze verschuiving in ons perspectief inhoudt en kunnen als we in alle rust met onszelf aan het werk gaan deze onverwachtse veranderingen ook in onszelf toelaten.

 

 

1 Comment

Leave a Reply