De Masnawi en het ego-zelf

In het soefisme is de landkaart van spirituele ontwikkeling zeer goed beschreven. Het spirituele pad dat Roemi met ons verkent in boek I van de Masnawi, omvat de transformatie van het egozelf (nafs). Hoewel er geen einde komt aan het proces van rijping in een mensenleven, onderscheidt men in het soefisme zeven stadia van ontwikkeling en integratie. De nafs in zijn grofste hoedanigheid is het grootste obstakel voor spirituele vooruitgang. De verlangens van het ego zijn als sluiers waardoor we van God gescheiden zijn.

Help dit koppige zelf uiteenvallen

opdat je hieronder eenheid mag ontdekken

als een verborgen schat.

M. I, 683

De bekende godsdienstgeleerde al Ghazzali legt het woord ‘nafs’ als volgt uit: ‘Het heeft twee betekenissen. Als eerste verwijst het naar kwaadheid en lustgevoelens in de mens […] dit is de algemene betekenis waar mensen naar verwijzen die het woord nafs gebruiken voor alle slechte eigenschappen in een mens. In de tweede betekenis van het woord verwijst het naar de ziel, naar wat je als mens werkelijk bent. Het omvat het zelf en de persoonlijkheid. Het wordt echter steeds anders omschreven, afhankelijk van het stadium waarin het verkeert. Als het tot rust gekomen is en ‘beheersbaar’ en als het zich heeft kunnen losmaken van de storende invloed van lustgevoelens, dan wordt het de tot rust gekomen ziel (nafs al-moetma’inna) genoemd.  Bij de eerste betekenis heeft de nafs niet de terugkeer naar God voor ogen omdat het zich verre houdt van Hem. Als het weerstand kan bieden tegen begeerte wordt het het zelf dat handelt vanuit geweten (nafs al-lawwama) genoemd. Het kan zichzelf tot de orde roepen als het niet gehoorzaamt aan de meester. Als het geen weerstand biedt en zich helemaal overgeeft aan de stem van begeerte en hier aan gehoorzaamt, dan wordt het het dwangmatige zelf (nafs al ammara) genoemd. Dit is de eerste betekenis waar hierboven naar verwezen wordt.’

De nafs is het diepste wezen van de mens dat je zou kunnen vertalen met het woord ‘zelf’, ‘ziel’ of ‘ego’ (verkeerd voorgesteld als iets dat afgescheiden is van het geheel) of de zetel van hartstocht en begeerte, het zintuiglijke zelf. Als je je inzet om wat vreemd is aan je ware aard die verbonden is met het hart te transformeren, wordt de nafs gezuiverd. In onverfijnde toestand is het begiftigd met dierlijke eigenschappen en kun je spreken van een gebrek aan zelfbesef en zelfbeheersing. Het dierlijke zelf zet de mens aan om vanuit instincten en begeerten te handelen en het staat bekend als overheersend (ammara). Het is de neiging van de mens om ongehoorzaam te zijn aan God en het leuk te vinden om iets verkeerds te doen of iets kwaads te denken. Het is de neiging tot roddel en achterklap, ijdelheid, trotse zelfzucht, begeerte, haat en jaloezie. Als de nafs door het proces van zuivering en de stadia van transformatie heen is gegaan, vermijdt het niet langer het contact met de geest en toont het vaker een geweten (nafs al lawwama). Verder zegt al Ghazzali: ‘De twee soldaten kwaadheid en lustgevoel staan of onder het bevel van het hart […] of ze zijn ongehoorzaam en rebelleren om het tot slaaf te maken.’ Het dwangmatige-obsessieve zelf, nafs al-ammara, wordt dus volledig beheerst door zijn begeerten en instincten. Er is vrijwel geen scheiding tussen opwelling en actie. Je staat onder het bevel (ammara) van je dwangmatigheden. De nafs al-ammara overtuigt ons ervan dat het in ons belang handelt, maar dat blijkt toch iets anders te liggen. Het leidt ons door verwarrende begeerten steeds verder bij de werkelijkheid vandaan, terwijl het hart wordt getiranniseerd. De eigenschap die je in dit stadium opwekt is berouw (tauba) of wroeging, je laat je geweten spreken.

Al Ghazzali zegt in zijn ‘Alchemie van het geluk’: ‘Tauba betekent berouw voor wat je verkeerd hebt gedaan, je neemt je voor dit niet meer te herhalen en keert terug naar de werkelijkheid. Berouw is de sleutel voor het rechte pad, het zwaard van zuivering voor wie dichter bij God wil komen. Met andere woorden, tauba is je naar God toekeren en vragen om vergiffenis voor wat je in het verleden hebt gedaan waardoor je steeds verder weg raakte van God.’

Houdingen die kenmerkend zijn voor de nafs al ammara:

  • Het afwijzen van discipline;
  • Verzet tegen het leven en Gods schepping;
  • Erop gesteld zijn opgehemeld te worden;
  • Het terroriseren van anderen;
  • Zich te buiten gaan aan slapen, drinken en eten;
  • Hebzucht, arrogantie, trots, afgunst e.d.;
  • Door eigen gedachten in beslag genomen worden;
  • Het negeren van spirituele hoffelijkheid (adab);
  • Het naar beneden halen van zichzelf en anderen om niet verder te hoeven kijken.

O zoon, alleen zij wier spirituele oog geopend is

weten wat voorbestemd zijn is.

M. I, 1466

Het Arabische woord djabar dat hier in de Perzische tekst wordt gebruikt verwijst naar een van Gods heilige namen. Al Djabar – Degene die het kwade bedwingt en het goede ervoor teruggeeft [K.59:23].

Door Gods hand wordt het onmogelijke mogelijk gemaakt.

De weerspannigen kalmeren in ontzag voor Hem.

M. I, 3068

Nafs al lawwama

Het beschuldigende zelf  (nafs al lawwama) of het zelf dat handelt vanuit een geweten, is zich ervan bewust dat het zijn dwangmatigheden en begeerten moet beheersen. Hier begint een toestand van innerlijke verwarring, want het kan zijn dat je weinig anders aan je begeerten kunt doen dan gadeslaan hoezeer je er de slaaf van bent. De eigenschap die gewekt moet worden is onthouding of matigheid.

Ik zweer bij het zelf

dat zichzelf verwijten maakt.

K.75:2

In de Masnawi zijn er meerdere verwijzingen naar de nafs al lawwama zoals het verhaal van de Bedoeïen en zijn vrouw. Er is een passage die begint met: ‘Hoe de vrouw excuses aanbood aan haar man en God om vergiffenis smeekte voor wat zij had gezegd’ [M.I,2394]. Als je dit verhaal goed op je laat inwerken begrijp je steeds beter wat het effect is van de nafs al lawwama op je eigen leven.

Al Ghazzali zegt dat je onthouding en matigheid aan 3 dingen kunt herkennen:

  1. Dat je geen behagen schept in wat je op dit moment bezit en dat je geen spijt hebt over wat je niet bezit.[…] Dat je probeert het tegenovergestelde te doen. Spijt hebben over wat je bezit en behagen scheppen in wat je niet bezit! 
  2. Het tweede kenmerk van onthouding is dat lof en blaam voor jou hetzelfde zijn. Je schept geen behagen in lof en hebt geen spijt als je wordt belasterd.
  3. Het derde kenmerk van onthouding is het scheppen van een liefdevolle band met God.

Houdingen die kenmerkend zijn voor de nafs al lawwama:

  • Zelfverwijt;
  • Dat je slechte gewoonten afzweert;
  • Momenten van angst, schaamte en schuldgevoel;
  • Machteloosheid ten opzichte van zwakheden;
  • Je bewust zijn van egocentrische neigingen;
  • Een liefdevol ontzag voor God;
  • Je bewust zijn van wensen, gedachten en acties;
  • Nadenken over spirituele waarden;
  • Het ontwikkelen van een innerlijk leven;
  • Luisteren naar de stem van God in je hart;
  • Gematigdheid.

 

Be first to comment