Kalila en Dimna: Een fabel over vriendschap en verraad

De bron van Roemi’s verhaal over de haas en de leeuw is een 2000 jaar oude fabel uit het Indiase Panchatantra geschrift, ook bekend als Kalila en Dimna of De fabels van Bidpai. De oorspronkelijke kernboodschap gaat over het gebruik van macht, wijsheid en leiderschap en de waarde van echte vriendschap. Roemi voegt hier nog een aantal eigen elementen aan toe zoals het gebruik van de vrije wil tegenover het vertrouwen op God.  Roemi maakt gebruik van dit oude verhaal omdat hij zich laat inspireren door Soera al Qasas (Koran, hoofdstuk 28).  Zijn bedoeling is de aandacht van de lezer te vangen en het publiek aan hun stoelen te kluisteren. Ook met dit verhaal laat Roemi zien hoe wij verstrikt kunnen raken in de wereld van aantrekking en hoe we ons hier weer uit los kunnen maken. Namelijk door te doen wat ons hart ons ingeeft en ons niet te laten leiden door angst.

De waarde van echte vriendschap

Er was eens een groep dieren die in een prachtig dal woonde, maar werd belaagd door een leeuw. Hij hoefde enkel uit zijn schuilplaats tevoorschijn te komen en naar de groene grasvlakte te draven om hen het leven zuur te maken. Ze overlegden met elkaar en deden de leeuw het volgende voorstel. ‘Wij leveren u uw dagelijkse rantsoen en houden u goed doorvoed. Jaag niet op een prooi om uw rantsoen aan te vullen, dan wordt dit gras voor ons niet bitter.’

List en bedrog
‘Uitstekend als jullie je aan de afspraak houden en me niet in de maling nemen’, zei de leeuw. ‘Er zijn al genoeg geintjes met me uitgehaald, ik ben de verraderlijkheid van de mensen meer dan beu. Ik ben al zo vaak gebeten door de slang en gestoken door de schorpioen in de mens. Maar erger qua vermomming en afgunst dan alle mensen samen is de oude Adam die in mijzelf op de loer ligt. Ik heb gehoord wat de profeet Mohammed gezegd heeft: “Een gelovige wordt geen twee keer gebeten” en daar houd ik me aan met hart en ziel.’

Vertrouwen op God
‘Wijze, onderlegde leeuw’, zeiden de beesten, ‘heeft de Profeet niet ook gezegd dat we alle voorzorg opzij moeten zetten, want dat die niet op kan tegen het besluit van God. Voorzorg geeft eindeloze problemen en verwarring. U doet er beter aan uw vertrouwen op God te stellen. Fel, verscheurend dier, worstel niet met het Lot opdat het Lot op zijn beurt geen ruzie zoekt met u. Voor het goddelijk besluit zijn wij allen dode dingen. Laten we maar oppassen dat we niet door de Heer van de Dageraad worden geveld.’

Eigen initiatief
‘Dat klopt’, zei de leeuw. ‘Vertrouwen op God mag dan onze leidsman zijn, de Profeet heeft ons ook geleerd gebruik te maken van wat ons ten dienste staat. Heeft hij niet met luide stem uitgeroepen: “Vertrouw op God, maar bind de poten van je kameel vast” en “God bemint de eerlijke werkman”. Let daar op. Word door je vertrouwen niet zo lui dat je zelf geen initiatief meer neemt.’
‘Jezelf ten koste van Gods zwakkere schepselen verrijken is één brok huichelarij, hoe groter het keelgat, des te groter de hap’, antwoordden zij. ‘Niets beter dan vertrouwen op God. Wat heeft God liever dan een gelaten hart? Daarmee kom je vaak van de wal in de sloot terecht: je deinst achteruit voor een slang en wordt van achteren bestookt door een draak. De mens beraamt een plan en belandt daardoor in een valkuil. Datgene waarvan hij dacht dat het hem het leven zou redden, kost hem zijn bloed. Hij vergrendelt de deur, maar de vijand zit binnen. Daarvan was Farao een goed voorbeeld. Hij slachtte in zijn wreedheid honderdduizenden baby’s af, maar degene die hij zocht verbleef in zijn eigen paleis. Geef je vooruitziende blik, die altijd wikt en weegt, maar van gebreken doorzeefd is, op ten overstaan van God, de grote Vriend. Zijn oog voor dat van ons – een goede ruil! Wie Hem voor ogen houdt, ontdekt waarnaar zijn verlangen uitgaat. Zolang het kind zelf niet kan rennen en jagen, draagt zijn vader het mee op zijn nek, maar als het kattenkwaad kan uithalen en wel eens even zal laten zien wat het kan, valt het zich al gauw een buil. Vóór er handen en voeten waren, stegen de door God geschapen geesten die Hem trouw waren sereen op naar zuivere rijken, maar toen ze te horen kregen: “Daal uit het paradijs af naar de wereld”, werden ze de slaaf van woede, hebzucht en eigendunk. Wij maken deel uit van de familie van God en hunkeren naar melk. Heeft de Profeet niet gezegd: “Alle schepselen maken deel uit van Gods familie”? Hij die de regen uit de hemel kan laten neerdalen, kan ons in Zijn genade ook brood geven.’
‘Dat klopt’, zei de leeuw, maar de Heer heeft voor zijn dienaren ook een ladder opgericht die we sport voor sport moeten leren beklimmen. Met je armen over elkaar gaan zitten en zeggen: “Zo is het nu eenmaal” getuigt van weinig hoop. Jullie hebben voeten, doe dus niet net of je niet kunt lopen. Jullie hebben handen, doe dan niet net of je niet kunt aanpakken. Als een meester een slaaf een spade geeft, weet die wat er van hem verwacht wordt zonder dat hem dat gezegd hoeft te worden. Hand en spade vragen beide om actie. Hij brengt Zijn wil tot uitdrukking door ons vermogen doelgericht bezig te zijn. Wie zijn aanwijzingen ter harte neemt en doet wat Hij wil, geeft Hij vele aanwijzingen voor zijn geheimen. Hij neemt de last van je schouders en geeft je het werk te doen waar het echt om gaat. Draag Zijn last en Hij draagt jou. Aanvaard Zijn wil en Hij maakt jou aanvaardbaar. Zoek Zijn gebod en je wordt Zijn spreekbuis. Probeer je met Hem te verenigen en je wordt één.

Uit vrije wil
De vrije wil is ernaar streven God voor zijn gunsten te danken. De vrije wil ontkennen is dat ontkennen. Door dank te zeggen voor de vrije wil wordt ze sterker. Ontkennen dat er zoiets als een vrije wil bestaat grist Gods gunst uit je handen. De vrije wil ontkennen is als onderweg in slaap vallen. Slaap niet tot je die poort en die drempel ziet. Wie in zijn onachtzaamheid de vrije wil ontkent, moet enkel slapen in de schaduw van de vruchtdragende boom die elke keer dat zijn takken door de wind worden bewogen verrukkelijke naspijs en mondkost voor onderweg laat neer regenen. Het ontkennen van de vrije wil is als slapen tussen struikrovers. Hak je de haan die voortijdig kraait niet de kop af? Wie Zijn aanwijzingen in de wind slaat, denkt misschien dat hij handelt als een man, maar hij is niet meer dan een domme vrouw! Je verliest het kleine beetje intelligentie dat je bezit, je gezond verstand vliegt het raam uit, je wordt zo dom als het achtereind van een koe. Ondankbaarheid is schandelijk en schandalig en trekt de ondankbare naar de bodem van de hel. Vertrouw vooral op God bij je werk. Zaai het zaad en vertrouw dan op de Almachtige.’

Hebzucht
De dieren riepen als uit één mond: ‘Waarom was het geluk dan niet met de hebzuchtigen, al die mannen en vrouwen die om hun verlangens te bevredigen hun toevlucht namen tot inspanning? Sinds de aanvang van de wereld hebben ontelbare generaties als verslindende draken hun honderden monden geopend. Die sluwe horde heeft met haar plannen de bergen ondermijnd, maar met haar gejacht, gejaag en noeste arbeid niets anders gewonnen dan wat haar in eeuwigheid was voorbestemd. Ze hebben allen gefaald in hun doen en laten, alleen het doen en laten en besluit van de Schepper zijn gebleven. Roemruchte heer, u die zo geslepen bent, werk is niet niks, inspanning is meer dan ijdele fantasie.’

Belangeloze inzet
‘Dat klopt’, zei de leeuw. ‘Maar kijk nu eens naar de inspanningen die de profeten en ware gelovigen zich hebben getroost. De almachtige God beloonde hun inspanning, de verdrukking en ontbering die ze te verduren kregen. Alles wat ze deden pakte goed uit. Wie goede werken verricht, is immers goed. Zij vingen de hemelse vogel, hun gebreken strekten hen tot winst. Volg zolang je dat kunt de profeten en heiligen na. Iets ondernemen is niet worstelen met het Lot, het Lot heeft ons die arbeid zelf opgelegd. Er is niets mis met je hoofd, doe er dus geen verband omheen. Werk een paar dagen hard en treed dan met een lach de eeuwigheid tegemoet! Inspanning is een feit, ziekte en remedie zijn dat ook. De scepticus spant zich enkel in om inspanning te vermijden!’

Omkoping
De leeuw voerde zoveel van dit soort bewijzen aan dat sommige dieren de lust verging er verder nog iets tegen in te brengen. De vos, het hert, de haas en de jakhals gaven het ontkennen van de vrije wil op en argumenteerden niet langer. Ze sloten een plechtig verbond met de woeste leeuw en verzekerden hem dat hij er niets bij zou inschieten. Zijn dagelijks portie voedsel zou zonder probleem en zonder dat hij er iets voor hoefde te doen naar hem toe komen. Hij hoefde geen verdere eisen te stellen. Ze wierpen het lot en elke dag rende het dier op wie het lot was gevallen pijlsnel naar de leeuw toe.

Zelfbeschikking
Toen het de beurt was van de haas om de bittere beker te drinken, riep die met luide stem: ‘Hoe lang verdragen we deze onrechtvaardigheid nog?’
De anderen zeiden: ‘Wij hebben ons leven geofferd om de afspraak gestand te doen. Ga jij nu niet dwarsliggen. Bezorg ons geen slechte naam. Schiet op, anders wordt de leeuw boos.’
‘Verleen me wat respijt, vrienden’, pleitte de haas. ‘Mijn slimheid zal jullie allen redden. Door mijn slimheid vindt jullie ziel veiligheid en wordt een blijvende erfenis voor je kinderen.’
‘Ezel!’, riepen ze hem toe. ‘Luister nu eens. Houd je aan de mogelijkheden en beperkingen die je als haas zijn gesteld. Waarom sta je je voor op dingen die zelfs nooit in het hoofd van je meerderen zijn opgekomen? Ofwel je bent verschrikkelijk verwaand of je probeert het lot te tarten. Hoe durf je zoiets te zeggen?’ 

 
 Eigenheid
‘Vrienden, dit is mij ingegeven door God zelf’, antwoordde hij. ‘De zwakke heeft opeens een sterk inzicht. Wat God de bijen geleerd heeft, past niet bij de leeuw. Bijen maken honingraten vol zoetigheid en God heeft daarvoor de deur geopend. Wat kan een olifant beginnen met wat God de zijderups geleerd heeft.

Beramen van een plan
Toen zeiden ze: ‘Snelvoetige haas, zeg wat je bedacht hebt. Jij hebt met een leeuw geworsteld, vertel ons het plan dat je hebt beraamd. Raadgeving schenkt doorzicht en inzicht. Twee weten meer dan één.’
‘Het is niet wijs met een geheim te koop te lopen’, zei de haas. ‘Een vriend blijkt soms een vijand te zijn en andersom. Je hoeft je geheim maar aan één persoon te vertellen en het is een publiek geheim.’
Daarop vertrok hij naar de leeuw met zijn scherpe klauwen. De laatste stond de aarde op te woelen en vreselijk te brullen omdat de haas zo laat was.

Verraad
‘Heb ik het niet gezegd dat de beloften van die ellendige beesten waardeloos en zinloos blijken en op niets zouden uitlopen? Ze zetten me met hun praatjes mooi voor schut. Hoe lang ben ik nog de dupe van deze verraderlijke wereld? Ik was verblind toen ik naar hun praatjes luisterde. De geintjes van hen die niet in de vrije wil geloven hebben me aan handen en voeten gebonden. Ze hebben me met hun houten zwaard murw geslagen. Vanaf dit moment luister ik niet meer naar geleuter, dat is niets anders dan het gehuil van demonen en geesten. Houd je niet langer in, mijn hart, scheur ze aan stukken, stroop hun de huid af, ze zijn niets anders dan huid.”
Witheet en wild van woede zag de leeuw ten slotte in de verte de haas aankomen, niet uit het veld geslagen en zo brutaal als de beul. Hij zag er boos en bits uit en was in een slechte bui. De haas dacht namelijk: “Als ik me schuldbewust opstel, verdenkt hij me, maar als ik me groot houd, verdwijnt elke twijfel.

Het gevaar in de ogen zien
Toen hij bij de grens tussen zijn terrein en het domein van de leeuw was gekomen, brulde deze hem toe:” Schavuit, ik die grote ossen aan stukken heb gescheurd, ik die de woeste olifant om de oren heb geslagen, denk jij dat jij mijn bevelen met voeten kunt treden? Wie denk je wel dat je bent? “
“Genade!”, riep de baas. “Vergeef me alstublieft, edele heer. Kom me een stapje tegemoet. Ik heb een goed excuus!”
“Hoezo? “, vroeg de leeuw. “De kortzichtigheid van de dwaas! Hoe durf je op zo’n moment in de tegenwoordigheid van een vorst te komen? Vroege vogels zijn voor de poes. Ik maak je een kopje kleiner. Wat moet je met de excuses van een dwaas? Je excuses maken je vergrijp alleen maar erger, het excuus van een onwetende is een vergif dat wijsheid de grond in boort. Jouw excuus, beste haas, slaat nergens op. Denk je nou echt dat ik alles voor zoete koek slik?”
Ik ben inderdaad nietswaardig, mijn vorst, maar leen het oor aan de smeekbede van iemand die in de verdrukking heeft gezeten. Wijs, juist als dank voor uw eigen hoge staat, iemand die de rechte weg is kwijtgeraakt niet af. De oceaan die alle rivieren voedt moet verdragen dat er allerlei rommel op haar oppervlak drijft en neemt ondanks haar gulheid nooit af. De oceaan neemt door haar overvloed niet toe en niet af.”
De leeuw zei: “Ik bewaar mijn overvloed voor de juiste gelegenheid. Iedereen krijgt wat hem toekomt, alles is op de juiste maat gesneden.”

Niet een maar twee koningen
Als u me geen welwillendheid wilt betonen, stop ik mijn kop in de muil van de draak van uw toorn”, zei de haas. “Ik ging vanmorgen vroeg rond etenstijd met mijn metgezel op stap om in uw koninklijke tegenwoordigheid te komen. De verzamelde beesten hadden een andere haas afgevaardigd om met me mee te gaan. Onderweg werden wij, uw nederige dienaren, overvallen door een leeuw. Ik zei tegen hem: “Wij zijn de slaven van de koning der koningen, de nietswaardige dienaren van het koninklijk hof.”
“Wie is de koning? “, vroeg de leeuw. “Hoe durf je in mijn verheven tegenwoordigheid zo’n hondsvot te noemen. Ik scheur jou en je vorst aan stukken als jij en je vriend het wagen hier weg te gaan.”.
Ik zei: “Laat me alstublieft nog één keer het gelaat van mijn vorst mogen aanschouwen en hem verslag over u uitbrengen.” “Laat dan je metgezel hier achter als onderpand”, ze hij. “Anders moet je je zelf aan mij onderwerpen, want ik maak hier de dienst uit,” Al pleitten we nog zo hard, het haalde niets uit. Hij greep mijn kameraad en liet mij gaan. En dan te bedenken dat mijn vriend drie keer zo dik is als ik, een pracht van een haas, zo mooi en zo mals. Vanaf dat moment barricadeert die andere leeuw de weg. De draak van ons verbond staat op springen. Vanaf heden voor u geen regelmatig rantsoen meer! Ik deel u de simpele waarheid mee en die is helaas, hard. Als u uw regelmatig rantsoen wilt, moet u de weg vrijmaken. Ga met me mee en verdrijf die onbeschaamde bruut.”
“In de naam van God, kom op. Laten we gaan kijken waar hij is”, zei de leeuw. “Loop jij maar voorop. Als je de waarheid spreekt, krijgt hij zijn verdiende loon, ja, al waren ze met z’n honderden. Maar als je liegt, krijg jij het op je brood.”
De haas liep als gids voorop om de leeuw naar de diepe put te brengen, de val die hij voor hem had opgesteld. Toen ze dicht bij de put kwamen, merkte de leeuw dat de haas treuzelde en achterbleef.
“Wat krijgen we nu?”, vroeg hij op hoge toon. “Kom op, loop door!” “Ik durf niet verder!” riep de haas. “Mijn handen en voeten zijn krachteloos. Ik ril als een riet, mijn hart bonst in mijn keel. Kijk eens hoe ik eraan toe ben. Ik ben zo bleek als een vaatdoek, daaruit blijkt precies hoe ik me voel.”
“Wat scheelt eraan, haas?” riep de leeuw. “Ik zou wel eens willen weten waarom je nu opeens zo bang bent.”
“In deze put woont de leeuw waar ik het over had, antwoordde de haas. “Hij is in dit fort veilig voor alle letsel.”
“Kom op”, zei de leeuw. “Eén klap van mij en hij is niet meer. Ga jij maar eens kijken of hij nu in de put zit.”
“Ik word door die vreselijke vurigheid verteerd. Wilt u niet met me meegaan? “, vroeg de haas. “Als u me steunt, durf ik mijn ogen te openen en in de put te gluren.”

Een verslagen leeuw
De leeuw ging dicht naast de haas lopen en onder zijn bescherming rende de haas naar de put. Zodra ze in de put keken, tekende zich in het water hun beider beeld af. De leeuw zag zijn eigen weerspiegeling. Uit het water keek hem een leeuw aan met voor zich een dikke haas. Toen hij zijn tegenstander in het water zag, bedacht de leeuw zich geen moment, liet de haas de haas en sprong in de put. Hij viel in de kuil die hij voor zichzelf had gegraven, want al zijn euveldaden keerden als een boemerang naar hem terug.
Dolblij holde de haas door de woestijn om zich bij de andere dieren te voegen. Door zijn toedoen lag de leeuw verslagen in de put en dus holde hij met vrolijke sprongen naar de grasvlakte, terwijl hij parmantig in zijn poten klapte omdat hij aan de dood was ontsnapt. Hij bewoog als een bebladerde tak die danst in lucht.
Alle dieren verzamelden zich, gelukkig, vrolijk lachend en buiten zichzelf van vreugde. Ze maakten een kring met de haas als een kaars in het midden. Alle woestijnbewoners bogen diep voor hem.
“Bent u een engel of een fee? “, riepen ze. “Nee, u bent de engel des doods van de woeste leeuwen. Wat u ook bent, wij schenken u onze ziel. U bent de held van de dag. Leve uw klauw en poot! Vertel ons nu uw slimme plan. Hoe hebt u die vreselijke bruut om zeep geholpen? Vertel het ons, opdat uw verhaal onze kwalen geneest, vertel het ons, opdat u verhaal balsem is voor onze ziel.”
“Met Gods hulp, beste lieden, hoe zou een haas anders ooit zoiets kunnen volbrengen? God gaf me de macht en het licht in mijn hart”, antwoordde de haas. “Het licht in mijn hart verleende mijn handen en voeten kracht.” 

Be first to comment