Er zijn jaren geweest waarin ik weinig meer deed met bijeenkomsten rond Roemi en de Mevlevi-traditie. Het vertalen bleef, de muziek bleef en ook de belangstelling verdween nooit helemaal, maar de vorm waarin mensen samenkwamen raakte op de achtergrond.
Daar begint nu verandering in te komen.
De komende tijd verschijnen nieuwe boeken waaraan ik lang heb gewerkt. Masnawī – De kern in de korrel brengt verhalen uit de eerste drie boeken van Roemi’s Masnawī samen. Daarna volgt Wij zijn goud, met verhalen uit Boek IV, V en VI. En ook de woorden van Sjams van Tabriz keren terug in een nieuwe uitgave.
Het voelt daardoor alsof verschillende lijnen die lange tijd naast elkaar liepen — vertalen, schrijven, muziek en mijn belangstelling voor de soefitraditie — weer bij elkaar komen.
Maar anders dan vroeger.
Geen nieuwe orde
Ik voel geen behoefte om opnieuw een besloten groep te vormen waarin mensen worden geïnitieerd of waarin iemand moet bepalen wie leerling is en wie leraar.
Misschien heeft het onderzoek dat ik de afgelopen tijd naar de geschiedenis van de Mevlevi-traditie heb gedaan mij daar alleen maar duidelijker in gemaakt.
Een traditie hoeft niet opnieuw als organisatie te worden opgebouwd om levend te zijn.
We kunnen ook bij elkaar komen om een verhaal uit de Masnawī te lezen. Om te onderzoeken waarom een tekst van zeven eeuwen geleden ineens iets zegt over een vraag waarmee iemand vandaag rondloopt. We kunnen luisteren naar een ilahi of een instrumentale compositie in een bepaalde makam, iets vertellen over de achtergrond daarvan en vervolgens gewoon luisteren naar wat de muziek doet.
Er kan een gedicht klinken. Er kan een verhaal worden verteld. Er kan stilte zijn. En er kan een gesprek ontstaan zonder dat iemand aan het einde hoeft te bepalen wat de juiste spirituele uitleg was.
Dat lijkt mij tegenwoordig een aantrekkelijke vorm.
Niet minder serieus, maar misschien wel eenvoudiger.
Wat er bewaard is gebleven
Mijn onderzoek naar de Mevlevi-traditie heeft mij kritischer gemaakt over sommige aanspraken op authenticiteit. Maar het heeft mij niet minder geïnteresseerd gemaakt in de traditie zelf.
Eerder het tegenovergestelde.
Want wanneer je de behoefte loslaat om te bewijzen dat één bepaalde groep de meest authentieke voortzetting is, komt er veel moois vrij.
Er zijn de teksten van Roemi en Sjams. Er is de eeuwenlange traditie van het lezen en becommentariëren van de Masnawī. Er is muziek. Er is meşk: leren door luisteren, nadoen en herhalen. Er is adab, niet als eis tot gehoorzaamheid, maar als aandacht voor de manier waarop je met mensen, dingen en situaties omgaat.
En er zijn verhalen.
Misschien zijn juist die verhalen een van de eenvoudigste manieren waarop Roemi nog steeds mensen kan bereiken.
Een koning, een koopman, een ezel, een papegaai, een verliefde, een dief, een asceet, een kikker en een muis: Roemi heeft niet veel nodig om ons iets over onszelf te laten zien.
Mevlevi worden
Daar moest ik opnieuw aan denken bij iets wat Kudsi Erguner schrijft over het worden van een Mevlevi.
Wat mij daarin aanspreekt, is dat Mevlevi-zijn niet in de eerste plaats verschijnt als een identiteit die iemand zichzelf kan toekennen. Het is geen kwestie van een titel aannemen, de juiste kleding dragen of kunnen aantonen door wie je bent erkend.
Het gaat om vorming.
Dat sluit ook aan bij iets wat een Turkse medezoeker mij ooit vertelde over zijn ‘udleraar. Na vijf jaar les zei die tegen hem:
“Het grove hebben we weggewerkt; nu moeten we er een ziel aan geven.”
Misschien is dat wel een mooi beeld voor wat traditie kan betekenen.
Eerst oefenen. Luisteren. Lezen. Nog eens luisteren. Ontdekken hoeveel je niet begrijpt. Langzaam gevoel ontwikkelen voor maat, verhouding en timing.
En dan, misschien, begint de vorm een ziel te krijgen.
Weer bijeenkomen
Daarom zou ik de komende jaren graag weer af en toe mensen bij elkaar brengen.
Niet als besloten initiërende groep en niet om een nieuwe Nederlandse tak van de Mevlevi-orde te beginnen.
Eerder als culturele en verdiepende activiteit rond Roemi, Sjams, soefisme, verhalen en muziek.
Een leeskring rond de Masnawī, als daar voldoende belangstelling voor is. Een avond waarop muziek en poëzie elkaar afwisselen. Een gesprek naar aanleiding van een verhaal. Misschien een lezing over Sjams of over de geschiedenis achter een bepaalde traditie.
Wie komt, hoeft nergens lid van te worden.
En wie na afloop naar huis gaat met één zin die is blijven hangen, een melodie die nog even naklinkt of een vraag waar hij niet onmiddellijk een antwoord op heeft, heeft misschien al genoeg meegenomen.
Een open deur
Na mijn onderzoek naar authenticiteit en gezag vind ik dat eigenlijk een hoopgevende gedachte.
We hoeven de oude tekke niet na te bouwen.
We hoeven ook niet te doen alsof zeven eeuwen geschiedenis niet hebben plaatsgevonden en wij rechtstreeks in dezelfde wereld leven als Roemi en Sjams.
Wat we wél kunnen doen, is de deur openhouden naar wat zij hebben nagelaten.
De teksten zorgvuldig lezen. De muziek leren kennen. De geschiedenis serieus nemen. Samen onderzoeken wat deze traditie vandaag nog te zeggen heeft.
Misschien hoeft niemand daarbij te bewijzen dat hij een Mevlevi is.
Misschien is het al heel wat wanneer we ons door Roemi, Sjams, de verhalen en de muziek een beetje laten vormen.
En wie weet krijgt de vorm dan vanzelf weer een ziel.
