Skip to content
Menu
Roemi vandaag
  • Roemi
  • Thema’s
    • Cultuur
      • Literatuur
      • Muziek
    • Natuur
    • Foto
    • Video
  • Boeken en CD’s
  • Kalender
  • Over Sipko A. den Boer
  • Nieuwsbrief
Roemi Vandaag Roemi vandaag

Muziek, meesters en lange tenen

Posted on 28/07/202628/07/2026

Herinneringen aan Refik Algan

Voordat ik Refik Algan voor het eerst ontmoette, had ik al een uitvoerig interview met hem gelezen in het Amerikaanse tijdschrift Gnosis. Ik was onder de indruk van zijn kritische uitspraken over soefiorden, geestelijk gezag en de noodzaak om ook op een spirituele weg zelfstandig te blijven denken.

Volgens Refik waren de oude orden ooit veel meer dan religieuze gemeenschappen. Ze functioneerden als scholen en culturele centra, waar mensen ook muziek, koken en praktische vaardigheden leerden. Maar de samenleving was veranderd. Oude vormen zonder meer voortzetten was volgens hem alsof je een voet in een bestaande schoen probeerde te persen, in plaats van een schoen te zoeken die werkelijk paste. Geestelijk werk begon voor hem niet bij een organisatie, maar bij de vragen van de individuele mens.

Ergens tussen 2000 en 2005 ontmoette ik hem in Vermont, in de Verenigde Staten. Kabir Helminski had hem uitgenodigd om tijdens een retraite samen met hem tot de groep te spreken. In de jaren daarna leerden we elkaar beter kennen en raakten we meer met elkaar vertrouwd.

Refik was arts, schrijver, vertaler, schilder en ‘udspeler. Hij kon buitengewoon geestig zijn. Een gesprek met hem ging gemakkelijk van literatuur naar muziek, koken of de manier waarop mensen hun eigen cultuur verwaarlozen. Hij formuleerde graag zo stellig dat je niet altijd wist of hij iets letterlijk bedoelde of vooral een punt wilde maken.

We spraken bijvoorbeeld over de bewondering in het Turkije van toen voor alles wat westers en modern leek. Kabir merkte eens op dat de gemiddelde Amerikaan weinig status ontleende aan een bezoek aan McDonald’s, terwijl het in Turkije juist als modern en enigszins prestigieus kon gelden. Refik zag daarin hoe mensen niet altijd het waardevolle van het Westen overnamen, maar vooral de merken en de verpakking.

In een Turks interview uit 2007 zei hij iets vergelijkbaars over oploskoffie. Wat Turkije uit het Westen overnam, noemde hij provocerend de inhoud van de vuilnisbak. Zijn beweringen waren niet altijd bedoeld als nauwkeurig onderzoek. Hij overdreef om iets zichtbaar te maken. Achter de grap zat een serieuze vraag: waaraan ontleent een mens zijn waarde? Aan wat hij kent en doorleeft, of aan wat hij koopt?

Ook over eten kon hij prachtig vertellen. Gevulde paprika’s met olijfolie waren voor hem niet zomaar een gerecht, maar een culturele waarde. Hij had uit koppigheid leren koken. Als een arts in een laboratorium uiterst nauwkeurig werk kon verrichten, waarom zou hij dan geen maaltijd kunnen bereiden?

Refik was in een overwegend seculiere omgeving opgegroeid. Ik had destijds iets opgeschreven wat hij zei over zijn kennismaking met het soefisme. Hij beschreef die niet alleen als een eigen zoektocht, maar ook als iets waardoor hij gevonden was:

‘Een olifant is nodig om over India te kunnen dromen.’1

Het beeld komt uit de Masnawī. Een olifant droomt van India omdat hij daarvandaan komt. Verlangen ontstaat niet zomaar; iets in ons herkent waarnaar het verlangt. In een later Chileens interview gebruikt Refik hetzelfde beeld. De interviewer vraagt er opvallend genoeg niet op door.

Op die Chileense website wordt hij gepresenteerd als verhalenverteller en soefimeester. Of hij zichzelf zo genoemd zou hebben, weet ik niet. In zijn interviews was hij juist kritisch op titels en geestelijke aanspraken. Een gekwalificeerde leraar herkennen was volgens hem moeilijk, omdat je daarvoor eigenlijk zelf al gekwalificeerd moest zijn. Daardoor bleef geestelijk gezag altijd kwetsbaar voor misbruik.

Zijn medische achtergrond klonk door in zijn visie op begeleiding. Geestelijke oefeningen waren voor hem als medicijnen. De ene mens had misschien dhikr nodig, de andere vasten, meditatie of beschouwing. Iedereen hetzelfde voorschrijven vond hij ongeveer hetzelfde als geneeskunde zonder klinische praktijk. Werkelijke begeleiding vereiste persoonlijke aandacht.

Ook verstand en kennis mochten niet worden uitgeschakeld. Het pad naar God liep volgens hem niet alleen via het intellect, maar dat betekende nog niet dat je je hersenschors moest afscheren. Hij kon zich vrolijk maken over leraren die het verstand afwezen, maar bij buikpijn wel antibiotica namen en graag in een auto reden. Voor hem moesten zahir en batin, uiterlijke kennis en innerlijk inzicht, met elkaar in evenwicht blijven.

Refik maakte daarbij een scherp onderscheid tussen een hoge bewustzijnstoestand en menselijke rijpheid. Hij gaf eens het voorbeeld van een aap die in een laboratorium het gevoel krijgt dat hij verlicht is. Daarmee bezit hij nog niet de wijsheid van een aap die in het oerwoud heeft leren leven. Kabir nam dit voorbeeld later op in The Knowing Heart.

Een mens kan volgens Refik bijzondere bewustzijnstoestanden ervaren en toch onvoldoende zijn gevormd in het gewone leven. Zonder opvoeding, ervaring en karaktervorming kun je iemand krijgen die misschien verlicht lijkt, maar die je nog niet eens als babysitter zou vertrouwen. Geestelijke ervaring zegt op zichzelf nog niet dat iemand verantwoordelijkheid kan dragen, gelijkwaardige relaties kan aangaan of verstandig kan omgaan met macht, seksualiteit en verslaving. In het soefisme werd dit volgens hem wel ‘onrijpe verlichting’ genoemd: de innerlijke sluiers kunnen dunner worden, terwijl menselijke rijpheid en deugden nog achterblijven.

Op latere leeftijd kreeg Refik vijf jaar ‘udles van Cahid Gözkan, die hij beschouwde als een van de laatste grote meesters. Hij nam alle lessen op. Na vijf jaar zei Cahid tegen hem:

‘Het grove hebben we weggewerkt; nu moeten we er een ziel aan geven.’

Kort daarna overleed Cahid. Refik vond daarom dat hij zich nauwelijks zijn leerling mocht noemen.

De uitspraak beschrijft een natuurlijke ontwikkeling bij het leren van een instrument. Eerst werk je aan techniek, repertoire en muzikale taal; daarna verdiept het spel zich in frasering en zeggingskracht. Maar muzikale en innerlijke vorming zijn niet werkelijk gescheiden. Muziek leert aandacht, geduld, herhaling en ontvankelijkheid.

Bij Cahid Gözkan stond dat in een concrete traditie. Hij was verbonden met de Özbekler Tekkesi en nam deel aan bijeenkomsten waarin muziek, gesprek en geestelijke oefening samenkwamen. In het Chileense interview speelt Refik een kort stuk van zijn leraar. Zo wordt de overdracht niet alleen besproken, maar ook hoorbaar.

Rond het begin van deze eeuw maakte ik in Turkije vaker kennis met kleine, informele kringen waarin mensen bijeenkwamen om muziek te maken, gedichten te lezen en over het soefisme te spreken. Soms gebeurde dat in een woning, soms rond het graf van een oudere soefi. Er was niet altijd een formele organisatie, maar wel een duidelijke onderlinge orde.

Ik herinner mij een huis in een gewone straat in de oude stad van Istanbul. In het huis lag een soefi begraven. Onder de mensen die er samenkwamen was iemand die duidelijk leiding gaf. Hij wilde niet formeel als şeyh worden aangesproken, maar zei wel dat hij ‘de lege plaats innam’.

Dat vond ik moeilijk te begrijpen. De titel werd afgewezen, terwijl de functie en de daarbij behorende eerbied wel werden verwacht. Daar zat een historische achtergrond achter: de orden waren in Turkije officieel opgeheven, terwijl hun gebruiken in woningen en kleine kringen voortleefden. Maar het kon ook een sfeer scheppen waarin je op eieren liep.

Die gevoeligheid speelde eveneens tijdens een bezoek aan Şefik Can. Kabir en Camille Helminski waren erbij, evenals enkele andere leerlingen. Na het bezoek ontstond buiten een woordenwisseling tussen Refik en Kabir. Ik heb nog geprobeerd die te sussen.

Refik nam het Kabir kwalijk dat deze tegenover ‘belangrijke’ mensen over hem sprak als ‘zijn vertaler’. Dat was feitelijk niet onjuist, maar voor Refik ging het om de verhouding die erin werd uitgedrukt. Hij kende de Turkse taal, literatuur en soefitraditie van binnenuit en zag zichzelf niet als een hulpstuk van een westerse leraar.

Ik begreep zijn bezwaar. Tegelijk kon hij van een ongelukkige formulering een kwestie van waardigheid en juiste verhoudingen maken. Daarin zat een zekere ironie. Hij doorzag scherp hoe spirituele kringen verstrikt konden raken in titels en gezag, maar bleef zelf gevoelig voor de plaats die iemand hem gaf.

Misschien maakt dat zijn kritiek niet minder geloofwaardig, maar juist menselijker. Refik zei zelf dat er geen bovenmenselijke wezens bestaan. We blijven in het gewone leven onze tekortkomingen tegenkomen. Het verschil zit niet in het verdwijnen daarvan, maar in de manier waarop we ermee omgaan.

Na 2010 heb ik hem niet meer gezien. Onlangs kwam zijn stem weer bij mij boven toen ik zijn interviews teruglas en hem een compositie van Cahid Gözkan hoorde spelen.

Ik denk met warmte aan hem terug: geestig en ernstig, nieuwsgierig en trots, erudiet en soms onbuigzaam. Hij kon met één scherpe opmerking iets alledaags in een ander licht zetten. En hij kon een beeld laten vallen — een olifant die nodig is om over India te dromen — en verdergaan alsof daarmee genoeg was gezegd.

Misschien is dat wat mij van Refik is bijgebleven: traditie wordt niet levend door titels, kleding of grote groepen, maar door aandacht, oefening en de moed om jezelf te blijven onderzoeken. En ook daarbij blijven humor, eergevoel en lange tenen gewoon aanwezig.

  1. Masnawī IV, 3068 ↩︎

Leave a Reply Cancel reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Archief

©2026 Roemi Vandaag | WordPress Theme by Superb WordPress Themes