Hoe Voor wie horen wil ontstond
Soms begint een nieuw boek niet achter een bureau, maar met een onverwachte ontmoeting.
Tijdens een Rumi-seminar in de soefitempel, georganiseerd door de Leidse werkgroep Beyond Sharia, ontmoette ik uitgever Ger opnieuw. Ik had die dag een exemplaar van Waar twee oceanen samenkomen bij me, mijn eerdere bloemlezing uit de Maqālat van Sjams van Tabriz. Het boek was al jaren niet meer regulier verkrijgbaar en was zo langzamerhand een collectors item geworden.
Ger wilde het graag inzien.
Uit dat eenvoudige verzoek ontstond het idee om het opnieuw uit te geven. Niet als herdruk van iets ouds, maar in een nieuwe vorm. Toegankelijker, lichter van opzet, meer gericht op de lezer van nu. En vooral: met meer ruimte voor Sjams zelf.
Dat laatste bleek beslissend.
Toen ik de oude tekst opnieuw begon te lezen, merkte ik hoezeer ik in de loop van de jaren anders was gaan kijken naar zowel Sjams als Rumi. De eerdere uitgave stamde uit een andere fase van mijn werk. Ik voelde toen nog sterker de behoefte om begrippen uit het soefisme uit te leggen, achtergronden toe te voegen en teksten van commentaar te voorzien.
Nu wilde ik vaker eerst horen wat Sjams werkelijk zei.
Dat betekende terug naar het Perzisch.
Passage voor passage ben ik de vertaling opnieuw gaan vergelijken met de tekst van de Maqālat. Soms bleek een oude formulering nog uitstekend te werken. Soms zat er één woord net naast. En soms bleek een hele uitleg te veel voort te bouwen op een interpretatie die Sjams zelf niet uitsprak.
Een mooi voorbeeld is een passage waarin hij zegt dat het lichaam een sluier is. In de oude uitgave had die tekst de titel Je vijand zit vanbinnen. Bij herlezing voelde dat te zwaar. Sjams spreekt daar niet over een vijand. Hij spreekt over een sluier. Dat is iets anders. De titel werd daarom De sluier van het lichaam.
Zo ging het vaker.
Ik merkte dat de nieuwe uitgave sterker werd naarmate ik minder probeerde vast te leggen wat de lezer moest begrijpen. De toelichtingen werden korter, opener en nauwkeuriger. Waar mogelijk liet ik Rumi zelf antwoorden op Sjams. Niet om hem te verklaren, maar om beide stemmen naast elkaar te laten klinken.
Sjams zegt bijvoorbeeld dat rijkdom in tevredenheid ligt.
Rumi noemt tevredenheid de schat van de ziel.
Sjams zegt dat het hart moet opengaan.
Rumi spreekt over het hart dat door begeerte gevangen kan raken.
Dat soort echo’s werden belangrijker dan lange theoretische uitleg.
Intussen gingen Ger en ik ook nadenken over de vraag hoe zo’n boek zijn lezers kan vinden. In mijn eigen werk schrijf ik doorgaans Roemi, maar voor deze uitgave besloten we Rumi te gebruiken. Het is de naam waarop veel Nederlandse lezers inmiddels zoeken en waaronder zijn boeken doorgaans worden gevonden. Soms moet zelfs een vertaler een kleine concessie doen aan de boekhandel.
Ger vroeg daarnaast enkele bekende Nederlandse schrijvers met een Iraanse achtergrond om een aanbeveling voor het boek. Ook daarin zat dezelfde gedachte: Sjams niet alleen opnieuw vertalen, maar hem werkelijk opnieuw onder de aandacht brengen.
Ik plaag Ger intussen graag met mijn voorspelling dat Voor wie horen wil een bestseller wordt. Dat wil tenslotte iedere uitgever horen.
Ger blijft wat voorzichtiger. Voor zover ik begrijp denkt hij aan een eerste, bescheiden oplage van ongeveer driehonderd exemplaren.
‘Dan zul je toch weer snel opnieuw moeten drukken,’ zeg ik dan.
We zullen zien wie er gelijk krijgt.
Gaandeweg ontstond in ieder geval een ander boek dan ik aanvankelijk had voorzien. Niet alleen een herziene bloemlezing, maar een nieuwe publieksuitgave, met een nieuwe inleiding, opnieuw bekeken vertalingen en toelichtingen die veel dichter bij de tekst zijn gebleven.
Aan het einde kwam er nog iets bij waar ik aanvankelijk helemaal niet aan had gedacht: veertig korte uitspraken van Sjams.
De aanleiding daarvoor lag ook buiten het boek. De bekende ‘veertig regels van de liefde’ worden tegenwoordig vaak aan Rumi of Sjams toegeschreven. Ze zijn echter afkomstig uit de roman van Elif Shafak. Zij liet zich daarbij wel degelijk inspireren door Rumi en Sjams, maar de regels als geheel zijn haar eigen literaire formulering.
Tijdens het herzien van de Maqālat begonnen korte zinnen van Sjams mij steeds vaker op te vallen. Sommige waren maar één regel lang, andere een paar zinnen. Ze konden bijna op zichzelf staan.
Niet als regels.
Eerder als vonken.
Zo ontstond een slot met veertig werkelijk uit de Maqālat afkomstige uitspraken, opnieuw gecontroleerd aan het Perzisch.
Wie het boek heeft gelezen, zal bij sommige vonken de oorspronkelijke passage meteen herkennen. Een andere lezer zal misschien zichzelf als context ontdekken.
Dat vind ik eigenlijk een mooie gedachte.
Een tekst hoeft niet altijd volledig uitgelegd te worden voordat hij iets kan betekenen.
Soms is één zin genoeg.
Het intellect brengt je tot aan de drempel, maar wijst je niet de weg naar binnen.
Of:
Je bent een oneindige wereld. Wat betekenen hemel en aarde daarbij nog?
Of:
Wanneer een oprecht mens begint te dansen, beginnen de zeven hemelen, de aarde en alle schepselen met hem mee te dansen.
Misschien is dat uiteindelijk ook wat deze nieuwe uitgave geworden is: minder een poging om Sjams uit te leggen, en meer een uitnodiging om hem opnieuw te horen.
Vandaar de titel:
Voor wie horen wil.
En nu maar hopen dat Ger die tweede druk alvast inplant.
verschijnt najaar 2026
