Terugblik op bijna 32 jaar sociaal werk
Mijn werkende leven als social worker begon niet in een systeem, maar in het Sociaal-Cultureel Vormingscentrum Scheveningen — een hele mond vol. Het was een van de laatste buurthuizen die zich niet wilden aansluiten bij de nieuwe bestuursstructuur.
Dat paste eigenlijk wel bij de sfeer waarin ik het werk leerde kennen. Er was nog iets eigenzinnigs, iets lokaals, iets dat niet meteen gladgestreken was in beleidstaal. Het buurthuis was geen productielocatie, maar een plek waar ontmoeting mogelijk moest worden. Waar mensen binnenkwamen met hun verhalen, hun zorgen, hun eigenaardigheden, hun mogelijkheden.
Daar leerde ik dat sociaal werk allereerst gaat over ontmoeting. Over ruimte maken. Over mensen niet meteen vastzetten in een probleem, maar samen zoeken naar iets dat weer in beweging kan komen.
Er was in die tijd een zekere vrijheid. Je mocht echt iets inbrengen van jezelf. Niet onbeheerst of willekeurig, maar wel persoonlijk. Een idee, een inval, een manier van contact maken, een activiteit, een gesprek. Er werd niet meteen gevraagd of het in een format paste. Eerder: probeer het maar en kijk of het werkt.
Die houding heeft mij gevormd.
Later werkte ik als vormingswerker en trajectbegeleider in de GGZ. Ook daar bleef voor mij de kern dezelfde: hoe maak je contact met mensen die kwetsbaar zijn, vastgelopen zijn of het vertrouwen in instanties zijn kwijtgeraakt? Hoe blijf je naast iemand staan zonder het over te nemen? Hoe help je iemand een weg te vinden zonder zelf de route volledig te bepalen?
Het werk vroeg om vakmanschap, maar ook om aanwezigheid. Om aandacht, timing, humor, geduld en soms een beetje improvisatie. Je kon niet alles vooraf dichtregelen. Soms moest je iets proberen, kijken wat er gebeurde, bijstellen, opnieuw beginnen.
Dat vond ik geen gebrek aan professionaliteit. Dat wás voor mij professionaliteit.
Toch wil ik dit niet vertellen als een verhaal waarin vroeger alles beter was.
Dat was het niet. Ook vroeger was er willekeur. Er waren blinde vlekken, losse eindjes, persoonlijke voorkeuren en soms te weinig structuur. Niet alles wat vrij was, was goed. Niet alles wat persoonlijk was, was professioneel. En niet elke vorm van verantwoording is verkeerd.
Op de opleiding had ik bovendien geleerd om het welzijnswerk ook maatschappelijk te bekijken. Niet alleen als mooi en betrokken werk, maar ook als onderdeel van een kapitalistisch systeem. Sociaal werk stond nooit helemaal buiten de maatschappij. Het was niet alleen een tegenkracht, maar soms ook een opvangbekken voor de schade die diezelfde maatschappij veroorzaakte.
Dat inzicht maakte mij niet cynisch. Het maakte mij voorzichtiger. Het hielp mij om het sociaal werk lief te hebben zonder het te idealiseren.
Maar er is wel iets gebeurd met het werk.
De omslag kwam met de privatisering. Die begon met een grote belofte: the sky is the limit. Er zou meer mogelijk worden. Meer ruimte, meer ondernemerschap, meer vernieuwing. Alles kon groeien, alles kon beter, alles kon vrijer.
Maar gaandeweg zag ik iets anders gebeuren.
Ik zag de ongelijkheid toenemen. Tussen organisaties die zich goed konden positioneren en mensen die steeds moeilijker toegang kregen tot passende hulp. Tussen managementlagen die spraken over kansen, groei en innovatie, en werkers die steeds meer moesten verantwoorden. Tussen cliënten die mondig genoeg waren om hun weg te vinden en mensen die juist afhankelijk waren van nabijheid, geduld en trouw.
De vrijheid die werd beloofd, werd niet gelijk verdeeld.
Waar vroeger de vraag was: wat heeft deze mens nodig?, werd de vraag steeds vaker: waar past deze hulpvraag in?
Ook binnen organisaties zag ik iets veranderen. Mensen die niet meer mee konden in de nieuwe taal, de nieuwe snelheid en de nieuwe eisen, raakten langzaam buitengesloten. Wie vragen stelde, gold al snel als lastig. Wie aarzelde, leek niet veranderingsbereid. Wie moeite had met formats, cijfers, competentietaal of coaching, werd gemakkelijk gezien als iemand die nog niet “mee” was.
Ik zag ook dat de verhoudingen schever werden. Directeuren en bestuurders gingen salarissen verdienen die steeds moeilijker te rijmen waren met het werk op de vloer. De mensen die het dagelijkse contact droegen — de gesprekken, de crisis, de nabijheid, de teleurstellingen, de volgehouden aandacht — moesten zich steeds meer verantwoorden. Hoger in de organisatie ontstond een vrijheid en beloning die voor gewone werkers en cliënten onbereikbaar was.
Geleidelijk veranderde ook de taal.
Er kwamen termen als bewust bekwaam, onbewust bekwaam, bewust onbekwaam, onbewust onbekwaam. Ik begrijp best dat zo’n model bedoeld kan zijn als hulpmiddel bij leren. Maar in de praktijk deed het iets met de sfeer. Vooral dat woord onbekwaam. Het klinkt niet als een uitnodiging om te leren, maar als een oordeel over je positie.
En onbewust onbekwaam heeft iets nog pijnlijkers: wij zien iets van jou wat jij zelf nog niet ziet.
Dan verandert de verhouding.
Je bent niet meer vanzelfsprekend collega, vakmens, iemand met ervaring en eigen oordeel. Je wordt ook object van observatie, duiding en bijsturing. Iemand die ergens in een ontwikkelmodel wordt geplaatst. En als daar dan ook nog een coach bij komt, voelt coaching niet alleen als steun. Het krijgt ook iets van toezicht. Van heropvoeding.
Zo was ik daar niet komen werken.
Soms voelde het beleid ronduit infantiliserend. Volwassen professionals werden aangesproken alsof zij voortdurend ontwikkeld, gemotiveerd, gemonitord en bijgestuurd moesten worden. Natuurlijk moet ieder mens blijven leren. Maar er is een verschil tussen leren vanuit vakmanschap en behandeld worden alsof je niet zonder begeleiding, formats, coaching en meetbare doelen kunt functioneren.
Wat bedoeld was als ontwikkeling, voelde soms als verkleining.
Ik was me best bewust van ego-kwesties. Natuurlijk spelen die in ieder team en ook bij mijzelf. Maar ik probeerde er lichtvoetig mee om te gaan. Met humor, zelfspot, gesprek, ervaring en soms gewoon met een beetje mildheid.
Ik zou mezelf niet snel beschrijven in termen van bekwaam of onbekwaam. Als ik iets moeilijk vond, dacht ik daarover na. Waar raakt dit aan? Waarom maakt deze cliënt iets in mij wakker? Waarom irriteert deze collega mij? Wat zegt mijn reactie? Wat vraagt dit van mij als mens en als professional?
Dat is iets anders dan jezelf of een ander in een schema plaatsen.
Daar kwam bij dat er ineens overzichten verschenen. Aantallen. Vergelijkingen met andere werklocaties. Natuurlijk begrijp ik dat organisaties zicht willen hebben op wat er gebeurt. Maar de vraag is altijd: welke werkelijkheid breng je in beeld, en welke werkelijkheid verdwijnt daardoor?
Want waar het eigenlijk om ging, was hoe wij contact maakten met de mensen met wie we werkten.
Dat laat zich niet eenvoudig tellen. Contact heeft te maken met timing, trouw, geduld, nabijheid, vertrouwen. Soms is goed werk dat je niets forceert. Soms is vooruitgang dat iemand je niet meer wegstuurt. Soms is het belangrijkste dat je blijft komen, ook wanneer er uiterlijk weinig verandert.
Het levende werk werd vertaald in systeemtaal.
Wat mij misschien nog het meest raakte, was dat deze onderwerpen geen echte punten van gesprek waren. Er werd zelfs gezegd: we gaan hier nu niet over discussiëren.
Dat zinnetje is me bijgebleven. Je mocht je tot de verandering verhouden, maar je was er geen mede-eigenaar van. Je professionele oordeel telde minder mee.
Ik herinner me ook dat er ineens managers rondliepen. Eén van hen kwam uit de provincie Groningen, was net afgestudeerd, had boeken op haar plank staan met titels als Menshouderij en liep kordaat op klakkende hoge hakken door de gangen.
Dat beeld is blijven hangen. Niet omdat het om haar persoonlijk ging. Zij was waarschijnlijk ook maar iemand die haar best deed binnen een nieuwe werkelijkheid. Maar voor mij werd zij een teken van een omslag: een nieuwe bestuurslaag die met vaste tred binnenkwam, met taal over ontwikkeling, resultaten, coaching en sturing.
De oude houvast was verdwenen.
De vanzelfsprekendheid van het vak, de gedeelde mensvisie, het gesprek over wat goed werk was — het was allemaal minder dragend geworden. Natuurlijk waren er nog collega’s. Natuurlijk werd er nog hard gewerkt. Maar de bodem onder het werk was veranderd.
En het nieuwe anker was de foto van het team in de escaperoom.
Daar stonden we dan: lachend, samen, succesvol ontsnapt misschien. Een beeld van verbondenheid. Maar voor mij voelde het vreemd. Alsof teamgevoel werd gezocht in georganiseerde belevenissen, terwijl het echte gezamenlijke houvast uit het werk zelf verdwenen was.
Het was niet dat ik tegen plezier was. Integendeel. Humor en lichtheid hebben mij altijd geholpen in het werk. Maar hier voelde het anders. De lichtheid kwam niet meer voort uit het werk zelf. Zij werd eroverheen gelegd.
Alsof een teamfoto moest bewijzen dat we nog een team waren.
Achteraf zie ik scherper wat mij toen zo vervreemdde. De privatisering begon met taal van vrijheid en mogelijkheden, maar bracht nieuwe vormen van ongelijkheid en sturing met zich mee. De belofte was ruimte, maar de ervaring werd controle.
Toch is dat niet het hele verhaal.
Want als ik terugkijk, zie ik ook dat mijn werkende leven een ontwikkelingsverhaal is geworden. Niet alleen professioneel, maar ook innerlijk. Ik heb moeten leren onderscheiden wat van mij was en wat niet. Wanneer ik moest meebewegen en wanneer ik trouw moest blijven aan mijn eigen geweten. Wanneer ik moest spreken en wanneer zwijgen beter was. Wanneer betrokkenheid helpend was en wanneer zij kon omslaan in te veel verantwoordelijkheid dragen.
In al die jaren heb ik geleerd hoe belangrijk een fijne balans is tussen afstand en nabijheid. Te veel afstand maakt het werk koud en technisch. Dan wordt iemand een dossier, een casus, een zorgvraag, een risico. Maar te veel nabijheid is ook niet goed. Dan kun je verstrikt raken, te veel gaan dragen, te veel willen redden, of ongemerkt het leven van de ander overnemen.
Goed sociaal werk vraagt om een beweeglijke middenruimte. Dichtbij genoeg om werkelijk te luisteren. Ver genoeg om helder te blijven kijken. Betrokken genoeg om niet weg te lopen. Begrensd genoeg om de ander niet te verliezen in jouw zorg, angst of verantwoordelijkheidsgevoel.
De kunst was steeds opnieuw: nabij genoeg om menselijk te blijven, en ver genoeg om zorgvuldig te blijven.
Steeds opnieuw moest ik mij verhouden tot een nieuwe realiteit en tot nieuwe woorden. Soms waren die woorden vervreemdend. Soms maakten ze het werk kleiner dan het was. Maar niet elk nieuw woord was leeg of bedreigend.
Het laatste woord waar ik werkelijk enthousiast van werd, was herstelgericht werken.
Daarin hoorde ik iets terug van wat mij vanaf het begin had bewogen. Niet de mens reduceren tot probleem, stoornis, beperking of traject. Niet alleen kijken naar beheersing, zorgzwaarte of risico. Maar ruimte maken voor herstel in brede zin: weer betekenis ervaren, weer greep krijgen op het eigen leven, weer verbinding voelen met anderen, weer toekomst kunnen denken.
Herstelgericht werken sloot voor mij aan bij het beste van het oude vormingswerk, maar in een nieuwe taal. Het ging opnieuw over ontwikkeling, eigen regie, hoop, identiteit en verbondenheid. Niet als romantisch ideaal, maar als praktisch kompas in het werken met mensen die veel waren kwijtgeraakt.
Misschien was dat telkens de opgave: niet vasthouden aan oude woorden omdat ze oud zijn, en niet meegaan met nieuwe woorden omdat ze nieuw zijn. Maar blijven luisteren: opent dit woord de werkelijkheid, of sluit het haar af? Maakt het mensen groter, of kleiner? Brengt het ons dichter bij contact, waardigheid en menselijkheid, of verder ervan af?
Op de deur van het kantoor Vorming en Educatie in de kliniek hing ooit een papiertje met een spreuk. Zo’n spreuk die evengoed uit een fortune cookie had kunnen komen:
Als je jezelf bent kwijtgeraakt in je werk,
heb je waarschijnlijk jezelf gevonden.
Ik weet niet meer wie hem had opgehangen. Misschien was hij ironisch bedoeld, misschien ernstig, misschien allebei. Maar hij is mij bijgebleven.
Destijds glimlachte ik er misschien om. Want zulke spreuken zijn vaak net iets te rond, te wijs, te gemakkelijk. En toch zat er iets in. Juist in het werk, waarin je soms jezelf kwijtraakt aan betrokkenheid, verantwoordelijkheid, systemen, taal en verwachtingen, kun je ook ontdekken wat werkelijk van jou is.
Niet als groot inzicht ineens. Eerder langzaam. Door botsingen, vervreemding, vergissingen, trouw blijven, opnieuw beginnen.
Zingeving werd daarin steeds belangrijker.
Niet als een extra laagje bovenop het werk. Niet als mooie woorden voor moeilijke situaties. Maar als een manier om het werk te blijven verstaan zonder cynisch te worden. Zingeving hielp mij om onder de systeemtaal te blijven zoeken naar de menselijke vraag. Wat gebeurt hier met deze mens? Wat vraagt zorgvuldigheid nu? Wat is nabijheid zonder overname? Wat is begrenzen zonder verharding? Wat betekent waardigheid als iemand zelf nauwelijks nog woorden heeft?
Misschien heeft juist de vervreemding mij gedwongen mijn eigen kompas serieuzer te nemen.
Dat is mij later van pas gekomen in mijn werk als professioneel mentor. In dat werk kwam veel samen van wat ik eerder had geleerd: luisteren, verdragen, onderscheiden, nabij blijven zonder het over te nemen, spreken namens iemand zonder diens eigenheid of regie uit het oog te verliezen, samenwerken met zorgverleners en familie, en steeds opnieuw zoeken naar wat voor deze mens op dit moment zorgvuldig en menswaardig is.
Het mentorschap vroeg om juridische helderheid, maar ook om menselijke fijngevoeligheid. Om kennis van systemen, maar ook om het vermogen om niet door die systemen te worden opgeslokt. Om rapporteren, aanvragen, overleggen en verantwoorden, maar ook om aandacht voor wat niet meteen zichtbaar is.
Daarin merkte ik: het geleerde is niet verloren gegaan.
Daarom kan ik, als ik straks terugkijk op bijna 32 jaar werkzaam zijn in wat nu het sociaal domein heet, zeggen: het is geen verkeerde keuze geweest.
Ik heb veel gezien. Ik heb mij soms vervreemd gevoeld. Ik heb mij afgevraagd waar het werk gebleven was waarvoor ik ooit gekozen had. Maar ik heb ook geleerd dat een mens zijn eigen lijn kan bewaren, zelfs wanneer de omgeving verandert.
Niet dat ik altijd gelijk had. Niet dat vroeger alles beter was. Maar dat het werk mij gevormd heeft. Dat het mij heeft geleerd wat aandacht is, wat nabijheid vraagt, wat macht doet, wat kwetsbaarheid betekent, en hoe belangrijk het is om de menselijke maat niet kwijt te raken.
Zingeving was daarin geen luxe.
Het was de manier waarop ik het werk kon blijven verstaan. En misschien ook de manier waarop ik mezelf niet ben kwijtgeraakt.
