In de tijd dat ik veel nadacht, schreef en teksten vertaalde over de nafs en het ego, bestelde ik ook het boek van Roos Vonk: Ego’s en andere ongemakken. Het is geschreven vanuit sociaalpsychologisch perspectief en opgedragen aan haar vader.
Elke keer als ik het boek weer tegenkwam, legde ik het op een zichtbare plek. Alsof ik mezelf eraan wilde herinneren dat ik het nog moest lezen. Maar wanneer ik het nu opensla, merk ik aan de stugheid van de rug en de bladzijden dat ik het waarschijnlijk nooit echt gelezen heb.
Dat is merkwaardig. In diezelfde periode was ik juist intensief bezig met de vraag hoe de nafs werkt. Ik vertaalde teksten, verzamelde uitspraken, schreef erover en dacht erover na. Waarom bleef juist dit boek dan dicht?
Misschien omdat ik aarzelde bij de vertaling van nafs naar ego. Dacht ik dat het ego uit de sociale psychologie iets heel anders was dan de nafs waarover in het soefisme wordt gesproken? Of was ik bang dat een psychologische benadering het allemaal te plat zou maken?
Want de nafs is in de soefi-traditie meer dan alleen ons ego in moderne zin. Zij is niet alleen het deel van ons dat gelijk wil krijgen, gezien wil worden of zichzelf wil beschermen. Zij is ook dat hardnekkige leven in ons dat verlangt, vreest, grijpt, ontwijkt, zich verhardt, zich klein maakt, zich groot maakt, zich verdedigt en soms zelfs vroomheid gebruikt om zichzelf overeind te houden.
Bij Roemi is de nafs geen klein ongemak.
Hij vertelt ergens over een man die in de bergen een bevroren slang vindt. Het dier lijkt dood. Verstijfd door de kou ligt het roerloos tussen de stenen. De man denkt dat hij iets bijzonders heeft gevonden. Hij neemt de slang mee naar beneden, naar de vallei, om haar op de markt tentoon te stellen. Misschien kan hij er nog wat aan verdienen. Misschien zullen de mensen zich vergapen aan dit wonderlijke dier.
Maar beneden is het warmer. Wat in de kou levenloos leek, komt in een ander klimaat opnieuw tot leven. De slang beweegt, ontwaakt en wordt weer gevaarlijk.
Dat is een scherp beeld. Wat wij overwonnen dachten te hebben, kan onder andere omstandigheden opnieuw gaan bewegen. Een oude gekwetstheid. Een behoefte aan erkenning. Een heimelijke jaloezie. Een verlangen om belangrijk te zijn. Een neiging om te oordelen. Een behoefte om de controle te houden.
Juist dat de man de slang meeneemt om haar te tonen, maakt het beeld nog pijnlijker. De nafs is niet alleen de slang. Zij is ook de beweging in de man die denkt: hier kan ik iets mee worden, hier kan ik iets mee verdienen, hier kan ik de aandacht mee trekken.
Op andere plaatsen gebruikt Roemi nog zwaardere beelden. De nafs is als een zevenkoppige draak. Hak je één kop af, dan verschijnt er ergens anders weer een nieuwe. Dat klinkt dramatisch, maar misschien is het juist heel realistisch.
Want de nafs laat zich niet alleen zien in grove drift, trots of begeerte. Zij mengt zich ook in onze goede bedoelingen. In onze dienstbaarheid. In onze zorgzaamheid. In onze vroomheid. In onze behoefte om nodig te zijn. In onze wens om gelijk te krijgen. In onze gevoeligheid voor waardering. Zelfs in ons verlangen om een goed mens te zijn.
Daarom komen we er in ons handelen niet zomaar onderuit.
De nafs staat niet buiten ons, als een vijand die we eenvoudig kunnen aanwijzen. Zij spreekt door ons heen. Zij kan zich vermommen als inzicht, als nederigheid, als verantwoordelijkheid, als trouw, als liefde, als geestelijke ernst. Misschien is dat wel een van de moeilijkste dingen: dat wij niet alleen moeten leren wat goed is, maar ook moeten leren onderscheiden vanwaaruit wij het goede doen.
Waarom doe ik dit?
Uit liefde?
Uit angst?
Uit vrijheid?
Uit behoefte aan erkenning?
Uit trouw aan wat waar is?
Of omdat ik ergens toch nog iets wil vasthouden, bewijzen of veiligstellen?
Dat zijn ongemakkelijke vragen. Misschien heet het boek van Roos Vonk daarom niet voor niets Ego’s en andere ongemakken. De sociale psychologie kan veel zichtbaar maken van onze behoefte aan erkenning, ons zelfbedrog, onze ijdelheid, onze neiging om onszelf gunstiger te beoordelen dan anderen.
Dat is niet niets.
Toch merkte ik dat mij iets tegenstond. Niet zozeer de psychologische benadering zelf, maar vooral de toon waarin het ego soms wordt besproken. Te veel vanuit het persoonlijke perspectief, de voorkeuren en irritaties van de schrijver. Dat kan een boek levendig maken, maar het kan ook iets vernauwen. Dan lijkt het ego vooral zichtbaar te worden in wat de auteur zelf ongemakkelijk, storend of doorzichtig vindt.
Bij Roemi ervaar ik dat anders. Ook hij is scherp, soms genadeloos scherp. Maar zijn beelden zijn niet bedoeld om anderen belachelijk te maken of vast te zetten in een oordeel. De slang, de draak, de ezel, de hond, de koning, de bedelaar — ze laten zien wat er in ieder mens kan leven. Daarom kun je er als lezer niet buiten blijven staan. Je kunt niet gemakkelijk zeggen: dit gaat over die ander. Roemi dwingt je bijna om te vragen: waar zit dit in mij?
Misschien miste ik dat in zo’n moderne benadering: de ruimte waarin degene die het ego beschrijft zelf evenzeer onder het oordeel van het beeld komt te staan. Want de nafs is niet iets wat vooral andere mensen hebben. Zij kleurt ook mijn eigen waarneming. Mijn voorkeuren. Mijn afkeer. Mijn scherpte. Mijn geestelijke ernst.
De nafs is niet alleen het onderwerp waarover wij spreken; zij spreekt mee in de manier waarop wij erover spreken.
Dat werd later bijna tastbaar toen Roos Vonk zelf in opspraak kwam rond het bekende vleesonderzoek van Diederik Stapel. Zij had de gegevens niet zelf verzameld of gecontroleerd, maar trad wel als co-auteur naar buiten. Ik wil daar mild over blijven. Ik heb geen reden om aan haar goede bedoelingen te twijfelen. Zij heeft zelf erkend dat het een harde les was: enthousiasme, vertrouwen in een collega en conclusies die pasten bij eerdere overtuigingen kunnen het oordeel vertroebelen.
Juist dat maakt het voorbeeld menselijk. Het laat zien hoe het ego niet alleen leeft in ijdelheid of zelfoverschatting, maar ook in morele betrokkenheid, goede bedoelingen en de wens om iets belangrijks aan te tonen. De draak verschijnt niet alleen wanneer iemand openlijk trots of hebzuchtig is. Hij kan ook meekijken wanneer wij denken dat wij aan de kant van het goede staan.
De nafs begint niet pas waar wij slechte bedoelingen hebben. Zij begint vaak juist waar onze goede bedoelingen zichzelf niet meer laten bevragen.
Dat geldt natuurlijk niet alleen voor Roos Vonk. Het geldt ook voor mij. Voor iedereen die schrijft, duidt, vertaalt, lesgeeft, blogt, begeleidt of spreekt over innerlijke ontwikkeling. Wie over de nafs spreekt, spreekt niet over een object op afstand. Hij staat er zelf middenin.
Ook de behoefte om het ego van anderen te doorzien kan weer een kop van dezelfde draak zijn.
Misschien heb ik daarom uiteindelijk meer vertrouwen in Roemi’s beschrijvingen van de nafs dan in een managementachtige benadering van het ego. Niet omdat Roemi minder scherp is, maar omdat zijn scherpte dieper gaat. Zijn beelden zijn niet bedoeld om anderen te ontmaskeren, maar om de mens wakker te schudden. De bevroren slang en de zevenkoppige draak laten mij niet veilig toekijken.
Tegelijk had ik dat boek misschien toch kunnen gebruiken. Niet om de soefi-taal te vervangen, maar om haar concreter te maken. Want zodra we de nafs alleen nog in grote woorden beschrijven, verliezen we haar gewone gezichten uit het oog. Dan wordt zij een begrip uit oude teksten, terwijl zij ondertussen gewoon aan tafel zit, e-mails schrijft, gesprekken voert, zich gekwetst voelt, subtiel oordeelt, complimenten onthoudt en kritiek niet vergeet.
Dat betekent niet dat moderne psychologie of communicatieleer onbelangrijk is. Integendeel. Ook de communicatieleer van Frank Oomkes kan heel behulpzaam zijn. Zij laat zien hoe mensen elkaar raken, misverstaan, ontwijken, bevestigen of juist vastzetten. Zij maakt concreet wat er in gesprekken gebeurt: hoe een boodschap overkomt, hoe betrekkingen meespelen, hoe irritatie groeit, hoe wij ons verdedigen, hoe wij luisteren of juist niet luisteren.
Zulke inzichten zijn waardevol. Zij halen de nafs uit de grote woorden terug naar het gewone contact tussen mensen. Naar de toon van een zin. Naar een blik. Naar de behoefte om gelijk te krijgen. Naar het onvermogen om werkelijk te horen wat de ander zegt.
Maar de diepere oriëntatie vind ik nog steeds bij Roemi. Daar wordt de nafs niet platgemaakt tot gedrag of ongemak, maar gezien als een kracht die zich mengt in heel ons bestaan. Moderne psychologie en communicatieleer kunnen helpen om de bewegingen van de nafs concreet te herkennen. Roemi helpt mij om niet te vergeten hoe diep die bewegingen gaan.
Toch is zelfs eerlijk kijken niet genoeg.
Alleen inzicht en zelfkennis redden ons niet. Wij kunnen nog zo eerlijk proberen te kijken, er blijft altijd een blinde vlek. In de taal van het Johari-venster: er is een deel van onszelf dat voor anderen zichtbaar is, maar voor onszelf verborgen blijft.
Roemi zegt het nog scherper:
Kan het water van een verontreinigde beek de mest opruimen? Kan menselijke kennis de onwetendheid van het zinnelijke zelf wegvagen? Hoe vervaardigt een zwaard zijn eigen gevest? Vertrouw de genezing van deze wond toe aan een chirurg, want rond de wond verzamelen zich vliegen tot ze onzichtbaar is. Dit zijn je zelfzuchtige gedachten en al je dromen over bezit. De wond is je eigen zwarte gat.
— Masnawī I, 3221-3224
Dat is geen vriendelijk zelfhulpbeeld. Roemi zegt niet: kijk eens goed naar jezelf en dan komt het wel goed. Hij zegt eerder: juist rond de wond verzamelen zich gedachten die de wond onzichtbaar maken. Wat wij voor inzicht houden, kan ook afleiding zijn. Wat wij voor zelfkennis houden, kan soms deel worden van de bedekking.
Misschien is dat precies waarom de nafs zo moeilijk te bestrijden is. Zij verschuilt zich niet alleen in wat wij niet willen zien. Zij verschuilt zich ook in wat wij oprecht denken te zien. In onze redelijkheid. In onze goede bedoelingen. In onze zelfkennis zelfs.
De man met de bevroren slang dacht waarschijnlijk ook dat hij wist wat hij deed. Hij had iets gevonden. Hij zag een kans. Hij nam de slang mee naar de markt. Maar hij zag niet wat hij niet zag: dat het dier niet dood was, alleen verstijfd. En misschien zag hij ook zijn eigen beweging niet helemaal: de wens om er iets mee te verdienen, indruk te maken, iets bijzonders te tonen.
Daarom hebben we meer nodig dan introspectie. We hebben anderen nodig die ons durven spiegelen. We hebben tegenspraak nodig. Vriendschap. Adab. Een vorm van oefening. Misschien ook genade. Want niemand kan zijn eigen blinde vlek volledig van binnenuit verlichten.
Dat maakt het werk aan de nafs nederiger. Het is niet het project van een mens die zichzelf doorziet en verbetert. Het is eerder een levenslange oefening in waakzaamheid, ontvankelijkheid en bijstelling. Niet te snel denken dat de slang dood is. Niet te snel vertrouwen op onze eigen zuivere motieven. Niet te snel geloven dat wij inmiddels wel weten hoe het zit.
Misschien bleef het boek daarom dicht. Niet omdat het onderwerp mij vreemd was, maar omdat ik voelde dat deze benadering mij niet werkelijk gaf wat ik zocht. De psychologie kan helpen om bepaalde mechanismen scherper te zien, maar zij raakt voor mijn gevoel niet altijd aan de diepere laag van de nafs.
Ik zou het boek daarom niet zonder meer naast Roemi leggen, alsof het twee gelijkwaardige stemmen zijn. Het kan nuttig zijn aan de rand: als correctie, als spiegel, als taal voor alledaagse patronen. Maar de diepere oriëntatie vind ik nog steeds bij Roemi. Daar wordt de nafs niet platgemaakt tot gedrag of ongemak, maar gezien als een kracht die zich mengt in heel ons bestaan.
Want de slang die in de kou verstijfd lijkt, leeft niet alleen in oude verhalen. En de zevenkoppige draak verschijnt niet alleen in mystieke beeldspraak. Hij steekt zijn koppen op in het gewone leven, in de kleine bewegingen van elke dag.
Daar, in dat gewone leven, begint misschien ook het werk.
Niet met de gedachte dat wij de nafs definitief kunnen verslaan. Niet met de illusie dat wij ooit helemaal vrij zijn van eigenbelang, zelfbescherming of gekwetstheid. Maar met eerlijker kijken. Met telkens opnieuw onderscheiden. Met luisteren naar wat anderen ons soms laten zien. Met de nederigheid om niet te snel te geloven dat de slang dood is.
En misschien ook met de nederigheid om een boek dat jarenlang dicht bleef alsnog open te slaan.
