Skip to content
Menu
Roemi vandaag
  • Roemi
  • Thema’s
    • Cultuur
      • Literatuur
      • Muziek
    • Natuur
    • Foto
    • Video
  • Boeken en CD’s
  • Kalender
  • Over Sipko A. den Boer
  • Nieuwsbrief
Roemi Vandaag Roemi vandaag

De wereld als soefihuis

Posted on 07/06/202607/06/2026

Toen ik de schuur aan het opruimen was, vond ik achter in een kast een stapel exemplaren van Reizen op het pad van Mevlana, het handboek dat we in 2008 maakten voor deelnemers aan de activiteiten van onze Roemi-groep.

In een andere doos vond ik de kandelaars terug. En ook de samovar, waarmee we thee zetten voor de bijeenkomsten. Opeens lag het daar allemaal weer voor me: niet alleen de teksten en de ideeën, maar ook de dingen waarmee we een ruimte probeerden te maken. Licht, thee, matten, bloemen, stilte. De eenvoudige voorwerpen die hielpen om de overgang te markeren van de gewone drukte van de dag naar een aandachtiger samenzijn.

Ik hield één van de boekjes in mijn handen en was even terug in die jaren. De bijeenkomsten in Voorburg, de kring, de matten op de grond, de thee, de potluck, de zikr, de gesprekken. En vooral: de poging om aan alles wat we deden een bedding te geven.

Niet alleen: kom binnen, ga zitten, luister naar Roemi, doe mee met een oefening en ga weer naar huis.

Maar: waar stappen we eigenlijk in binnen? Wat vraagt deze traditie van ons? Hoe kunnen we samen reizen zonder dat het vaag wordt, vrijblijvend, of juist te zwaar en te strak? Hoe geef je vorm aan iets wat in wezen niet uit vorm bestaat?

Het boekje was een poging om context te geven. Om nieuwkomers en deelnemers niet alleen praktische informatie te geven, maar ook iets te laten proeven van de geest waarin we samenkwamen. Het bevatte teksten over de Threshold Society, over Mevlevi-adab, over de keuken, de gewijde ruimte, het draaien, de zikr, de rolverdeling rond bijeenkomsten en de gedachte dat een groep meer kan zijn dan een verzameling losse individuen.

Wat me nu raakt, is de ernst waarmee we toen zochten naar een vorm van gezamenlijk leren.

In de inleiding stond een vraag die eigenlijk nog steeds actueel is: wat is de waarde van samen reizen? Het antwoord was dat we elkaars spiegel kunnen zijn: een spiegel waarin zowel de kwaliteiten van de Ene als de onvolkomenheden van ons ego getoond en herkend mogen worden. Niet om elkaar vast te zetten in oordeel, maar om samen een leerklimaat te scheppen waarin we lichter van hart onze weg konden gaan.

Dat was mooi gezegd. Misschien ook een beetje hoog gestemd. En juist dat hooggestemde had ook een schaduwkant.

Woorden als liefde, dienstbaarheid, nederigheid, adab en overgave klinken mooi, maar ze kunnen in een groep ook spanning oproepen. Ze kunnen een maatstaf worden waaraan mensen zichzelf en elkaar gaan afmeten. Wie is werkelijk dienstbaar? Wie is nog te veel met zijn ego bezig? Wie begrijpt de adab wel en wie niet?

Voor je het weet wordt een taal die bedoeld was om het hart te openen ook een taal waarin geoordeeld wordt.

Dat zag ik toen niet altijd scherp genoeg.

We wilden een leerklimaat scheppen, maar juist in een leerklimaat kunnen mensen zich ook beoordeeld voelen. Zeker wanneer spirituele woorden verbonden raken met rollen, verwachtingen en nabijheid tot de leiding. Dan kan de vraag “wat vraagt dit moment van mij?” ongemerkt veranderen in: “doe ik het wel goed genoeg?” Of erger nog: “doet de ander het wel goed genoeg?”

Misschien is dat een van de lessen die ik nu helderder zie. Een spirituele groep heeft niet alleen idealen nodig, maar ook nuchterheid. Niet alleen toewijding, maar ook humor. Niet alleen taal over overgave, maar ook ruimte voor ongemak, verschil, vermoeidheid, weerstand en menselijke beperktheid.

Het is niet de bedoeling dat we supermensen worden.

We hebben onze beperkingen, ons zenuwstelsel, onze geschiedenis, onze gevoeligheden. Een groep die dat vergeet, kan onbedoeld hard worden, juist terwijl zij over liefde spreekt. Dan wordt adab geen verfijning van het hart, maar een subtiele norm waaraan mensen moeten voldoen.

Nu zou ik daarom voorzichtiger spreken. Niet omdat de woorden liefde, dienstbaarheid en adab onwaar zijn, maar omdat ze alleen vruchtbaar worden wanneer ze met mildheid worden gedragen. Zonder mildheid worden zelfs de mooiste woorden zwaar.

En toch herken ik de waarheid van die zoektocht nog altijd.

Een spirituele groep is nooit alleen een warme kring. Zij is ook een oefenplaats. Je komt er jezelf tegen: je verlangen om gezien te worden, je verlegenheid, je irritatie, je behoefte aan erkenning, je neiging om je terug te trekken of juist te veel verantwoordelijkheid te nemen. Je ontmoet er mensen met wie je in het gewone leven misschien niet zo snel zou optrekken. Juist daardoor kan de groep een oefening worden in adab: hoffelijkheid, aandacht, zelfkennis, dienstbaarheid.

In het handboekje stond een zin die ik nu met meer mildheid lees dan toen: “In het beste geval is een soefi-groep een container waarbinnen ieder zijn eigen lessen kan opdoen.” Dat woord container klinkt misschien wat technisch, maar de bedoeling was helder. Een groep heeft een bedding nodig. Niet om mensen te knechten, maar om iets kwetsbaars te beschermen.

Maar wat is dat kwetsbare eigenlijk?

Niet de groep zelf. Niet de vorm. Niet de traditie als bezit. Het kwetsbare is de openheid waarmee mensen binnenkomen. Het verlangen naar verbinding. De stilte die nodig is om te kunnen luisteren. Het vertrouwen dat iemand even niets hoeft te bewijzen. De kleine vlam van aandacht en liefde die gemakkelijk uitwaait wanneer er te snel verwachtingen, rollen of oordelen overheen komen.

Een bedding is nodig om die openheid te beschermen. Maar juist daarom moet die bedding mild zijn. Zij moet niet meteen vragen om loyaliteit, inpassing of bewijs van ernst. Zij moet eerst ruimte maken waarin iemand kan landen.

Daarom besteedden we aandacht aan de ruimte. Aan de matten. Aan bloemen. Aan licht. Aan de kandelaars. Aan de samovar. Aan thee. Aan opruimen. Aan afwassen.

Wie van buitenaf kijkt, ziet misschien alleen praktische dingen. Iemand steekt een kaars aan. Iemand vult de samovar. Iemand zet thee. Iemand veegt de vloer. Iemand ruimt de vaatwasser uit. Maar binnen de Mevlevi-traditie kregen zulke handelingen een andere klank. Dienstbaarheid was geen corvee, maar een manier om aanwezig te zijn. De keuken was niet zomaar een keuken, maar een plek waar iets gekookt werd in de mens zelf.

Misschien was dat wel de kern van onze poging: wij wilden laten zien dat spiritualiteit niet alleen in mooie woorden zit, of in vervoering, of in bijzondere ervaringen. Zij begint ook bij de vraag of je op tijd komt. Of je de ruimte achterlaat zoals je haar hebt gevonden. Of je ziet wat nodig is zonder dat iemand het hoeft te vragen. Of je je eigen stemming niet zomaar in de kring gooit. Of je kunt luisteren.

Toch is er sinds die tijd iets in mijn verstaan verschoven.

Toen probeerden we een kleine tekke te maken: een gewijde ruimte, een oefenplaats, een kring waarin aandacht, dienstbaarheid en schoonheid konden worden beoefend. Dat was waardevol. Maar tegelijk zie ik nu scherper dat het soefihuis niet ophoudt bij de muren van zo’n ruimte.

De hele wereld is ons soefihuis.

Dat klinkt misschien mooi, maar het is ook ongemakkelijk concreet. Want dan begint de oefening niet pas wanneer de matten worden uitgerold of de kaars wordt aangestoken. Dan begint zij ook in de straat, in het ziekenhuis, in het verzorgingshuis, bij de buren, in de supermarkt, in de schuur die moet worden opgeruimd, in een gesprek dat moeilijk wordt, in de manier waarop we omgaan met mensen die niet bij onze kring horen.

Als de hele wereld ons soefihuis is, dan is adab niet alleen de hoffelijkheid van een besloten spirituele ruimte. Dan is adab de manier waarop wij ons bewegen in de wereld.

Hoe groeten we iemand?

Hoe luisteren we naar iemand die verward is?

Hoe gaan we om met verschil?

Hoe blijven we aanwezig bij ongemak?

Hoe dragen we bij aan een ruimte die niet alleen van ons is?

Een paar maanden geleden namen we deel aan een bijeenkomst in Het Wijkpaleis in Rotterdam. Dat is geen tekke, geen klooster, geen centrum voor spirituele vorming. En toch zag ik daar iets gebeuren wat mij aan de beste kanten van een soefihuis deed denken.

Mensen kwamen binnen met verschillende achtergronden, leeftijden, talen, zorgen en talenten. Er werd gewerkt, gepraat, gekookt, geluisterd, geholpen. Niet groots en verheven, maar gewoon, tastbaar, menselijk. Een plek waar mensen niet alleen consument zijn, maar deelnemer. Waar je niet alleen iets komt halen, maar ook iets kunt brengen. Waar aanwezigheid, wederkerigheid en praktische zorg een ruimte scheppen waarin mensen zich weer even mens kunnen voelen.

In datzelfde buurthuis kwam ik iemand tegen die in die jaren onze Roemi-groep had bezocht. Zij vertelde hoe zij toen vooral op zoek was geweest naar verbinding, genegenheid en geborgenheid. Dat raakte me.

Wij hadden destijds de regel dat iemand twee keer vrijblijvend kon deelnemen. Daarna werd gevraagd om een keuze: wilde je werkelijk deel uitmaken van de groep, dan moest je je ook op een bepaalde manier verbinden. Dat leek toen logisch. We wilden geen vrijblijvende spirituele consumptie. We wilden een kring van mensen die samen wilden leren, oefenen en verantwoordelijkheid dragen.

Maar in die ontmoeting, zoveel jaren later, zag ik ook de andere kant.

Voor iemand die vooral warmte, bedding en menselijke nabijheid zoekt, kan zo’n groep al snel voelen als een plek waar je jezelf moet bewijzen. Waar je moet laten zien dat je serieus bent, loyaal, bereid tot dienstbaarheid, bereid om je te voegen in een bestaande vorm. Het begon misschien al voordat iemand werkelijk had kunnen landen.

Ik moest denken aan De zwarte hand: een groep kinderen met een eigen geheim, eigen codes, eigen trouw, eigen binnenwereld. Dat kan spannend en aantrekkelijk zijn, maar ook buitensluitend. Wie erbij wil horen, moet eerst bewijzen dat hij of zij het waard is.

Zo scherp zag ik dat toen niet.

Wij spraken over liefde, maar misschien vroegen we soms eerst om loyaliteit. Wij spraken over dienstbaarheid, maar misschien voelden mensen ook de druk om zich te bewijzen. Wij wilden een open kring zijn, maar er was tegelijk een binnen en een buiten, een taal die je moest leren, een houding die van je verwacht werd, een mate van toewijding die niet voor iedereen veilig of passend voelde.

In die ontmoeting in het buurthuis realiseerde ik me hoe ver ik daarvan verwijderd ben geraakt.

Niet omdat ik de ernst van een pad niet meer begrijp. Niet omdat ik denk dat alles vrijblijvend moet zijn. Maar omdat ik nu veel scherper voel dat een mens eerst ontvangen moet worden voordat er iets van hem gevraagd kan worden.

Geborgenheid gaat vooraf aan vorming.

Een groep die te snel vraagt om inzet, keuze of loyaliteit kan precies datgene missen waar iemand naar verlangt: een plek waar je even niets hoeft te bewijzen. Waar je niet hoeft te laten zien dat je spiritueel genoeg bent. Waar je niet meteen in een binnenkring of buitenkring wordt geplaatst. Waar je gewoon mag zitten, ademen, luisteren, thee drinken, aanwezig zijn.

Misschien liet het buurthuis mij daarom zo veel zien. Daar hoefde niemand eerst te bewijzen dat hij erbij hoorde. De verbinding ontstond door samen iets te doen, door elkaar te ontmoeten, door praktische nabijheid. Niet door een hoge taal over liefde, maar door de kleine gebaren waarin liefde soms veel betrouwbaarder zichtbaar wordt.

Misschien is dat een van de effecten van goede buurthuizen. Ze maken zichtbaar dat een mens niet los verkrijgbaar is. Wij worden mens in relatie tot anderen. In een tijd waarin zoveel wordt geprivatiseerd, geïndividualiseerd en geprofessionaliseerd, houden zulke plekken iets overeind wat van levensbelang is: de mogelijkheid om elkaar in het gewone leven te ontmoeten.

Niet als cliënt en hulpverlener.

Niet als klant en aanbieder.

Niet als gelovige en buitenstaander.

Maar als mensen die samen een ruimte dragen.

Dat raakt aan iets heel ouds in de soefi-traditie. De tekke was niet alleen een plaats voor gebed en ritueel. Zij was ook een keuken, een gastenhuis, een leerplaats, een plek van muziek, poëzie, brood, thee, stilte, werk en ontmoeting. De Mevlevi-keuken was het hart van de dergah, omdat daar niet alleen eten werd bereid, maar ook mensen werden gevormd.

In die zin kunnen buurthuizen, werkplaatsen, gemeenschappelijke keukens en open ontmoetingsplekken ons iets leren over wat wij destijds zochten. Misschien wilden wij toen een stukje wereld tot soefihuis maken. Nu zou ik eerder zeggen: de wereld was dat al, maar wij moesten leren het te zien.

Ik glimlach nu bij sommige formuleringen in het handboekje. Er staat veel in dat de taal en de verhoudingen van toen weerspiegelt. Woorden als sjeik, kalief, binnenkring, gasten, dienstbaarheid — ze droegen toen een bepaalde vanzelfsprekendheid die ik nu voorzichtiger zou gebruiken. Niet omdat ze niets betekenen, maar omdat elke spirituele taal ook macht kan krijgen. En waar macht ontstaat, hoe subtiel ook, is waakzaamheid nodig.

Toch wil ik niet met terugwerkende kracht neerbuigend doen over onze pogingen.

We probeerden iets echts. We wilden een plek maken waar Roemi niet alleen geciteerd werd, maar geleefd. Waar schoonheid tot leven werd gewekt. Waar mensen niet alleen kwamen consumeren, maar leerden bijdragen. Waar de liefde niet alleen een ontroerend woord was, maar handen en voeten kreeg.

Dat is moeilijker dan het lijkt.

Want zodra je vorm geeft aan het vormloze, ontstaat er spanning. Te weinig vorm, en alles wordt vrijblijvend. Te veel vorm, en de ziel verdwijnt achter regels en rollen. Te weinig leiding, en de groep raakt stuurloos. Te veel leiding, en mensen maken zich kleiner dan nodig is. Te weinig traditie, en je verliest de diepte. Te veel traditie, en je loopt het risico iets na te spelen dat niet werkelijk van jou is.

Misschien is dat wat ik nu beter begrijp dan toen.

Wij waren niet alleen bezig een handboekje te maken. We waren bezig een evenwicht te zoeken tussen vrijheid en vorm, tussen persoonlijke ervaring en gezamenlijke bedding, tussen mysterie en organisatie.

En dat evenwicht is broos.

Het handboekje wilde helpen. Het wilde zeggen: dit is geen willekeurige bijeenkomst. Er is een pad. Er is een erfgoed. Er zijn manieren van doen die het hart kunnen verfijnen. Er is zoiets als adab: de kunst om te weten wat een moment, een ruimte, een relatie van je vraagt.

Dat vind ik nog steeds kostbaar.

Maar misschien zou ik het nu minder naar binnen gericht formuleren. Niet alleen: hoe gedragen wij ons in onze kring? Maar ook: hoe wordt onze kring dienstbaar aan de wereld? Niet alleen: hoe bewaren wij een gewijde ruimte? Maar ook: hoe herkennen wij de gewijde ruimte die ontstaat waar mensen elkaar werkelijk ontmoeten?

Misschien is een buurthuis soms dichter bij de geest van de tekke dan een spirituele groep die vooral met zichzelf bezig is.

Dat is geen verwijt. Eerder een herinnering.

De weg van Roemi gaat niet weg van de wereld, maar dieper de wereld in. Niet om erdoor opgeslokt te worden, maar om er met een wakker hart aanwezig te zijn. De dans van de derwisj is niet bedoeld als vlucht uit de werkelijkheid. Zij wil de mens leren rond een stil middelpunt te bewegen, zodat hij of zij in de wereld minder door angst, haast en zelfzucht wordt voortgedreven.

Daarom blijft de vraag levend.

Hoe scheppen we een ruimte waarin mensen vrijer worden, niet afhankelijker?

Hoe oefenen we dienstbaarheid zonder onszelf te verliezen?

Hoe eren we een traditie zonder haar als kostuum aan te trekken?

Hoe blijven we samen reizen zonder dat iemand zijn eigen innerlijke kompas opgeeft?

En hoe herkennen we het soefihuis wanneer het niet lijkt op een soefihuis?

Misschien begint het antwoord nog altijd heel eenvoudig.

Met een mat die zorgvuldig wordt neergelegd.

Met thee die wordt ingeschonken.

Met een maaltijd die wordt gedeeld.

Met een buurthuis waar mensen elkaar weer vinden.

Met een gesprek waarin iemand werkelijk wordt gehoord.

Met een stilte waarin niemand zich hoeft te bewijzen.

Met het besef dat de weg niet alleen bestaat uit inzicht, maar ook uit opruimen, afwassen, wachten, luisteren, opnieuw beginnen.

Misschien daarom raakte het me dat ik niet alleen de handboekjes terugvond, maar ook de kandelaars en de samovar. Het waren geen heilige voorwerpen op zichzelf. En toch droegen ze iets van onze poging. Ze herinnerden aan avonden waarop we met gewone middelen iets minder gewoons probeerden te openen: een kring, een stilte, een kop thee, een moment waarin mensen even anders aanwezig konden zijn.

Ik leg het handboekje terug op tafel. Niet als model om opnieuw precies zo te gebruiken. Wel als herinnering aan een oprechte poging.

Wij wilden context geven.

Misschien zochten we eigenlijk naar een vorm van trouw: trouw aan Roemi, aan de Mevlevi-geest, aan elkaar, aan het verlangen dat mensen niet alleen geïnspireerd raken, maar veranderen.

Nu zou ik daaraan toevoegen: trouw aan de wereld waarin wij leven. Aan de buurten, huizen, pleinen, keukens en ontmoetingsplekken waar mensen proberen mens te blijven.

Want als de hele wereld ons soefihuis is, dan is geen enkele ontmoeting helemaal buiten de oefening.

Dan wordt de vraag niet alleen of wij een mooie kring kunnen vormen, maar of wij kunnen bijdragen aan een wereld waarin meer ruimte komt voor aandacht, waardigheid en liefde.

Misschien is dat nog steeds de vraag voor elke Roemi-kring, elke spirituele groep, elk buurthuis, elke poging om samen te leren:

kunnen wij een ruimte maken waarin de liefde niet alleen wordt bezongen, maar geoefend?

Leave a Reply Cancel reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Archief

©2026 Roemi Vandaag | WordPress Theme by Superb WordPress Themes