Wanneer aanwezigheid moeilijk wordt
Na het lezen van Roemi en na vele jaren van zoeken kwam ik ooit een benadering van het soefisme tegen die mij sterk aansprak. In een boek van een auteur die later een van mijn leraren werd, las ik over presence: tegenwoordigheid, wakkerheid, aandacht van het hart.
Wat mij daarin raakte, was dat tegenwoordigheid niet alleen een persoonlijke vaardigheid was. Het ging niet alleen om mijn vermogen om aandachtig te zijn. Het ging ook om een grotere Tegenwoordigheid waarin een mens kan leren leven.
Aanwezig zijn betekende dus niet alleen: ik ben erbij. Het betekende ook: ik open mij voor dat wat mij draagt, ziet en doordringt. Achteraf bezien stond die taal misschien dichter bij de bevindelijke christelijke onderstroom in mijn familie dan ik toen besefte. Dat drong pas veel later tot mij door, misschien het sterkst bij de uitvaart van mijn vader. Ook daar ging het niet alleen om leer of overtuiging, maar om een doorleefde verhouding tot God: gekend worden, gedragen worden, geraakt worden in het hart.
Later probeerde ik die tegenwoordigheid te verbinden met wat Andries Baart presentie noemt. Dan gaat het niet alleen om innerlijke wakkerheid, maar om de vraag hoe je bij een concrete ander aanwezig bent. Aansluiten. Luisteren. Niet meteen oplossen. Niet verlaten.
Toen ontdekte ik hoe moeilijk dat kan zijn.
In een oude tekst gebruikte ik ooit de woorden: erbij blijven. Dat klonk eenvoudig. Misschien zelfs vanzelfsprekend. Erbij blijven, daar draait het om. Veel oefenen om erbij te blijven.
Nu hoor ik die woorden anders.
Erbij blijven klinkt eenvoudig wanneer het gaat over stilte, liefde, verbondenheid en vertrouwen. Maar het wordt moeilijker wanneer de ander niet verandert. Wanneer er niets op te lossen valt. Wanneer in de ontmoeting mijn eigen onmacht wakker wordt. Wanneer iets in mij wil redden, verklaren, controleren, oordelen of weggaan.
Aanwezigheid is niet alleen een innerlijke staat. Zij wordt zichtbaar op het moment dat iets in ons liever zou vluchten.
Tegenwoordigheid opent naar wat groter is dan wijzelf. Presentie beproeft die openheid in het contact met een ander.
In stilte kan ik mij soms verbonden voelen met het geheel. Ik kan iets ervaren van een ruimte die groter is dan mijn kleine ik, groter dan mijn tijdelijke zorgen en gedachten. Maar wat gebeurt er wanneer ik tegenover een mens zit en iets in mij wordt aangeraakt: onmacht, irritatie, verwarring, reddersdrang of de neiging om afstand te nemen?
Ik denk aan een jonge Huntingtonpatiënt in de laatste fase, die mij enthousiast iets wil vertellen, terwijl ik hem nauwelijks kan verstaan. Aan een man met verzamelwoede die zijn huis dreigt kwijt te raken, maar geen hulp kan toelaten omdat hij dan de controle moet opgeven. Aan mijn dementerende moeder, die haar besef van leeftijden en levensfasen kwijt is en diep verontwaardigd is dat zij in een verzorgingshuis moet wonen.
In zulke situaties is er vaak niets eenvoudigs te doen. Ik kan niet zomaar vertalen wat niet verstaanbaar is, niet redden wie geen hulp kan toelaten, niet uitleggen wat door dementie telkens opnieuw onbegrijpelijk wordt.
Blijft die tegenwoordigheid dan bestaan?
Of raak ik haar kwijt zodra mijn oude patronen wakker worden?
De ander is niet altijd degene die iets veroorzaakt. Soms is hij alleen degene in wiens nabijheid zichtbaar wordt wat in mij nog niet vrij is.
Soms verdwijnen wij niet uit onverschilligheid, maar uit bescherming. Iets in ons heeft ooit geleerd dat aanwezig blijven te veel kostte. Dan raken we innerlijk weg. We trekken ons terug, worden vaag, moe, afwezig, of we gaan juist praten, regelen, helpen, verklaren. Ook dat kan een manier zijn om niet werkelijk te hoeven blijven.
Wie ooit heeft moeten overleven door zich aan te passen, kent misschien die beweging. Eerst aanvoelen wat nodig is. Eerst de stemming van de ander lezen. Eerst zorgen dat er geen conflict komt. Eerst de ander geruststellen. En pas veel later merken: waar ben ik zelf gebleven?
Dan is presentie niet zomaar bij de ander blijven. Het is ook bij jezelf blijven.
Wanneer ik innerlijk uit evenwicht raak, laat ik mij gemakkelijk meesleuren door angst voor scheiding of verlies. Dan word ik afhankelijker van wat van buitenaf komt: bevestiging, erkenning, geruststelling, duidelijkheid, controle.
Op zulke momenten is er geen zuivere tegenwoordigheid. Geen stille innerlijke getuige. Er is vooral de poging om de situatie onder controle te krijgen.
En toch is dat niet iets om hard over te oordelen. Veel van wat wij onze persoonlijkheid noemen, is ontstaan onder bepaalde omstandigheden. Wij hebben manieren gevonden om erbij te horen, om pijn te vermijden, om nabijheid te bewaren, om niet opnieuw verlaten of afgewezen te worden.
Als ik denk dat ik mijn persoonlijkheid bén, zit ik gevangen in wat ik heb aangeleerd. Maar als ik zie dat mijn persoonlijkheid zich heeft ontwikkeld, ontstaat er ruimte. Dan hoef ik mijn eerste reactie niet onmiddellijk te geloven.
Bij Roemi is dat onderscheid wezenlijk. Er is het gewone zelf, de nafs, dat bang is, grijpt, verdedigt, bevestiging zoekt, zich miskend voelt of zich verliest in zijn eigen verhalen. En er is iets diepers: de ziel, het hart, de plaats waar een mens ruimer wordt dan zijn eerste angst.
Dat diepere zelf is niet zweverig. Het is juist werkelijker. Het is stiller, opener, vrijer. Het hoeft niet onmiddellijk te reageren om te bestaan. Het hoeft niet te redden om nabij te blijven. Het hoeft niet weg te gaan om zichzelf te bewaren.
Misschien wordt erbij blijven zo moeilijk omdat wij het vaak proberen vanuit het gewone zelf. Vanuit spanning. Vanuit de behoefte om het goed te doen. Vanuit angst om tekort te schieten. Vanuit de wens om nodig te zijn. Vanuit de oude gewoonte om de ander eerst aan te voelen en pas daarna onszelf.
Maar presentie vraagt een andere grond.
Ik kan pas bij de ander blijven wanneer ik niet wegraak uit mijzelf.
Dat betekent niet dat ik mij moet afsluiten. Integendeel. Wie werkelijk bij zichzelf blijft, hoeft zich minder te verdedigen. Hij kan meer horen, meer zien, meer verdragen. Niet omdat hij harder is geworden, maar omdat hij minder wordt meegesleurd.
Erbij blijven vraagt dus om drie bewegingen tegelijk.
Bij de Tegenwoordigheid blijven: niet vergeten dat er een grotere grond is dan mijn angst.
Bij mijzelf blijven: niet verdwijnen in de nood, de verwachting of de stemming van de ander.
Bij de ander blijven: niet vluchten zodra ik niets kan oplossen.
Dat is misschien de moeilijke eenvoud van presentie.
Niet redden. Niet verlaten.
Erbij blijven betekent niet dat je alles verdraagt. Niet dat je geen grens mag hebben. Niet dat je jezelf moet opofferen. Maar het betekent ook niet dat je je terugtrekt zodra je machteloos wordt. Niet dat je je achter analyse, verklaring of professionele afstand verschuilt. Niet dat je innerlijk weggaat terwijl je uiterlijk nog aanwezig bent.
Werkelijke aanwezigheid begint misschien daar waar wij niet langer vluchten in oplossing, oordeel, controle of afstand.
Dat raakt aan iets heel dieps. Want veel van onze zogenaamd behulpzame reacties zijn ook vluchtwegen. Ik wil oplossen omdat ik mijn machteloosheid niet verdraag. Ik wil uitleggen omdat de open vraag te veel spanning oproept. Ik wil adviseren omdat luisteren mij te kwetsbaar maakt. Ik wil zorgen omdat ik bang ben niet nodig te zijn. Ik wil afstand nemen omdat nabijheid iets ouds in mij raakt.
Soms noemen wij dat liefde. Maar soms is het overbezorgdheid: angst die zich voordoet als zorg.
Dan wordt de ander ongemerkt een project. Iemand die beter moet worden, rustiger, verstandiger, dankbaarder, helderder. Iemand bij wie mijn aanwezigheid resultaat moet hebben. En als dat resultaat uitblijft, voel ik mij tekortschieten of raak ik geïrriteerd.
Maar misschien vraagt presentie juist dat ik de ander niet tot mijn project maak.
Niet elke ontmoeting vraagt om oplossing. Soms vraagt zij om een mens die blijft luisteren zonder de ander te verkleinen tot zijn probleem. Iemand die nabij is zonder te grijpen. Iemand die de ander niet verlaat, maar ook niet overneemt.
Roemi’s verhalen zijn vol van mensen die zichzelf kwijtraken doordat zij de werkelijkheid willen beheersen. Zij zien de buitenkant, maar missen de innerlijke betekenis. Zij reageren op wat hun angst, trots of verlangen hun influistert. En telkens opnieuw wijst Roemi naar het hart.
Het hart is bij hem geen plaats van sentimentaliteit. Het hart is wakker. Het ziet. Het luistert. Het kent de bewegingen van de nafs, maar hoeft er niet onmiddellijk door te worden meegesleept.
De nafs wil vaak meteen iets doen. Grijpen. Vluchten. Verklaren. Zich verdedigen. Gelijk krijgen. Redden. Afstand nemen. Het hart kan wachten.
Niet passief. Niet onverschillig. Maar ontvankelijk.
Misschien is erbij blijven precies dat: niet door elke angst worden weggejaagd uit het contact.
Het hart blijft niet omdat het alles kan oplossen, maar omdat het niet meer door elke angst geregeerd hoeft te worden.
Daarin speelt ook spirituele armoede een rol. Niet armoede als minderwaardigheid, maar als erkenning: ik kan dit niet alleen. Mijn goede wil is niet genoeg. Mijn inzicht is niet genoeg. Mijn behoefte om te helpen is niet genoeg.
Ik heb een grotere grond nodig.
Misschien begint echte presentie met die armoede. Met het erkennen dat ik de ander niet kan redden, dat ik niet alles begrijp, dat mijn woorden beperkt zijn, dat mijn aanwezigheid soms het enige is wat ik kan geven.
Maar juist die armoede kan ruimte maken voor overvloed. Niet de overvloed van antwoorden, maar de overvloed van aandacht. Meer hart. Meer geduld. Meer waarheid. Meer bereidheid om niet weg te gaan wanneer er niets te winnen of te bewijzen valt.
Wie zijn onmacht niet hoeft te ontkennen, kan soms dichterbij blijven.
Dat geldt ook voor de relatie met onszelf. Wanneer ik mijn eigen bron niet indachtig ben, raak ik gemakkelijker verstrikt in wat van buiten komt. Dan wil ik bevestigd worden in mijn rol. Dan leg ik het initiatief te veel bij anderen. Dan vergeet ik wat oorspronkelijk mijn bedoeling was.
Terugkeren naar aanwezigheid betekent dan ook: mij herinneren waaruit ik wilde leven.
Niet uit angst voor verlies. Niet uit de behoefte om nodig te zijn. Niet uit het oude patroon van aanpassen. Maar uit een stillere plaats waar liefde mogelijk wordt zonder zelfverlies.
Misschien is dat de meest eenvoudige omschrijving van erbij blijven:
bij jezelf blijven, om van daaruit de ander werkelijk te kunnen ontmoeten.
Want wie zichzelf verlaat, kan moeilijk werkelijk bij een ander blijven. Dan wordt nabijheid al snel afhankelijkheid. Of redden. Of overbezorgdheid. Of uitputting.
Maar wie alleen bij zichzelf blijft en de ander niet meer werkelijk toelaat, verliest iets anders. Dan wordt innerlijke rust een veilige kamer zonder ramen.
Presentie vraagt beide: grond en openheid.
Aanwezig zijn is niet alleen stil worden in jezelf. Het is ook bij de ander kunnen blijven zonder jezelf kwijt te raken.
Dat vraagt oefening. Veel oefening.
Niet als prestatie, maar als terugkeer.
Terug naar de adem. Terug naar het lichaam. Terug naar het hart. Terug naar de ander zoals hij op dit moment voor mij zit. Terug naar mijn eigen grens. Terug naar de grotere Tegenwoordigheid die niet verdwijnt wanneer ik haar even kwijt ben.
Wij blijven niet doordat wij nooit weg raken.
Wij blijven doordat wij leren terugkeren.
Soms is dat het enige wat mogelijk is. Merken dat je weg bent. Merken dat je wilt redden. Merken dat je geïrriteerd raakt. Merken dat je gaat uitleggen. Merken dat je jezelf verliest. En dan, zonder zelfverwijt, opnieuw terugkeren.
Erbij blijven is dus geen heroïsche volmaaktheid. Het is geen ononderbroken toestand van rust. Het is een weg van telkens opnieuw wakker worden.
Het is ook niet de bedoeling dat wij supermensen worden. Wij hebben beperkingen. Ons lichaam, onze geschiedenis en ons zenuwstelsel bepalen mede hoeveel nabijheid, spanning, verdriet of machteloosheid wij kunnen dragen. Soms is weggaan, pauzeren of begrenzen niet het tegenovergestelde van presentie, maar juist de voorwaarde om later weer werkelijk aanwezig te kunnen zijn.
Wie erbij wil blijven, moet daarom ook leren herkennen wanneer hij niet meer kan blijven zonder zichzelf geweld aan te doen. Presentie vraagt geen grenzeloze beschikbaarheid. Zij vraagt waarachtigheid.
Misschien ligt daarin ook de verbinding tussen tegenwoordigheid en presentie. Tegenwoordigheid opent ons voor het grotere leven waarin wij bestaan. Presentie vraagt of die openheid ook handen en voeten krijgt in de ontmoeting met een ander.
Niet alleen in stilte. Niet alleen in gebed. Niet alleen wanneer wij ons ruim en verbonden voelen. Maar juist wanneer aanwezigheid moeilijk wordt.
Wanneer er geen oplossing is. Wanneer de ander niet wordt zoals wij hopen. Wanneer onze eigen angst voor scheiding of verlies wakker wordt. Wanneer wij de neiging voelen om te redden of te verdwijnen.
Daar wordt aanwezigheid werkelijk beproefd.
Misschien hoor ik daarom die oude woorden opnieuw: erbij blijven.
Niet blijven uit plicht. Niet blijven om nodig te zijn. Niet blijven omdat je geen grens mag hebben. Maar blijven vanuit een tegenwoordigheid die dieper is dan de eerste angst.
Een tegenwoordigheid die weet dat niet alles opgelost hoeft te worden om gedragen te kunnen worden.
Misschien begint werkelijke presentie daar waar ik niet langer hoef te redden om nabij te blijven, en niet hoef weg te gaan om mijzelf te bewaren.

