Skip to content
Menu
Roemi vandaag
  • Roemi
  • Thema’s
    • Cultuur
      • Literatuur
      • Muziek
    • Natuur
    • Foto
    • Video
  • Boeken en CD’s
  • Kalender
  • Over Sipko A. den Boer
  • Nieuwsbrief
Roemi Vandaag Roemi vandaag

Van ego naar ziel

Posted on 31/05/202631/05/2026

Over zelfbehoud, oude beelden en het licht dat kan verschijnen

In mijn vorige blog schreef ik over het zintuig voor het mysterie: het vermogen om de werkelijkheid niet plat te maken. Maar daarmee is nog niet gezegd hoe een mens dat zintuig ontwikkelt.

Misschien is dat zintuig niet verdwenen. Misschien gebruiken we het alleen niet altijd goed.

We voelen nog steeds dat het leven méér moet zijn dan overleven, bezit en strijd. We verlangen naar betekenis, liefde, erkenning en verbondenheid. Maar wanneer het ego de leiding neemt, raakt dat verlangen verkeerd gericht. Dan zoeken we het grotere in waardering, gelijk, controle of bezit.

Het zintuig is er nog, maar het staat niet meer zuiver afgestemd.

Want meestal beginnen wij ergens anders.

Bij angst.
Zelfbehoud.
Gekwetstheid.
Behoefte aan erkenning.
De neiging om onszelf overeind te houden.

Jaren geleden schreef ik op RoemiVandaag over de Masnawi en het ego-zelf. Ik gebruikte toen de klassieke taal van de nafs: het dwingende zelf, het zelf dat zichzelf begint te onderzoeken, en de ziel die tot rust komt. Die taal is nog steeds waardevol. Maar ik zou haar nu iets anders benaderen.

Het ego is niet alleen een verzameling slechte eigenschappen. Het is ook een oude overlevingsstrategie. Het probeert ons te beschermen tegen vernedering, verlies, machteloosheid, niet gezien worden of herhaling van pijn.

Achter trots kan schaamte zitten.
Achter controle kan onveiligheid zitten.
Achter boosheid kan kwetsbaarheid schuilgaan.
Achter de behoefte om gelijk te krijgen kan de angst liggen om niet serieus genomen te worden.
En achter jaloezie kan bestaansangst zitten: de vrees dat er voor mij geen plaats meer is wanneer de ander gezien, geliefd of gekozen wordt.

Dat maakt het ego niet onschuldig. Wat uit angst geboren wordt, kan anderen beschadigen. Maar het helpt wel om beter te kijken.

Roemi ontmaskert het ego niet om de mens te vernederen, maar om hem vrij te maken.

De weg van ego naar ziel is niet de vernietiging van de mens. Het is de bevrijding van wat in hem verkrampt is geraakt.

Daarom is het belangrijk onderscheid te maken tussen een gezond zelfbesef en een krampachtig vasthouden aan een uitgeleefd beeld van het zelf. Een mens heeft een gezond zelfbesef nodig. Zonder dat kunnen we niet staan, kiezen, grenzen voelen of verantwoordelijkheid dragen.

Sjams zegt ergens:

Je nafs heeft recht op je, geef hem dat recht!

Dat is een verrassende uitspraak. De nafs is dus niet alleen een vijand die bestreden moet worden. Ook het gewone zelf, met zijn behoeften, grenzen en levensdrang, heeft een rechtmatige plaats in de werkelijkheid. Het lichaam mag rusten. De mens mag eten, slapen, zich beschermen, grenzen voelen, genieten, verdriet hebben.

Maar Sjams bedoelt niet dat de nafs de leiding moet krijgen. Zij krijgt wat haar toekomt — en meer niet. Juist op kleine punten kunnen compromissen met het egocentrische zelf ons langzaam overweldigen. Dan verliezen we het contact met het hart, met de geest en met de leiding die daaruit voortkomt.

De vraag is dus niet: hoe vernietig ik mijn nafs?

De vraag is: hoe geef ik haar haar recht, zonder haar de troon te geven?

Roemi vraagt niet dat een mens geen zelf meer heeft. Maar hij doorziet het moment waarop het zelf zich verhardt tot een beeld van zichzelf. Dan houden we vast aan wie we ooit moesten zijn om te overleven, ook wanneer dat beeld allang geen leven meer draagt.

Een gezond zelfbesef is beweeglijk. Het kan leren, ontvangen, erkennen en loslaten.

Een verkrampt zelfbeeld moet zichzelf voortdurend bevestigen. Het leeft van vergelijking, verdediging en herhaling.

Het gezonde zelf zegt: hier sta ik.
Het gekrompen ego zegt: dit beeld van mij mag niet sterven.

Misschien begint de beweging van ego naar ziel wanneer een mens ontdekt dat zijn wortels dieper liggen dan zijn persoonlijke geschiedenis. Die geschiedenis is werkelijk. Zij heeft ons gevormd, verwond, beschermd en beperkt. Maar zij is niet onze laatste oorsprong.

Het ego hecht zich aan het verhaal waarmee het zichzelf overeind heeft gehouden. De ziel begint zich te herinneren dat zij niet alleen uit dat verhaal voortkomt.

Dan ontstaat er ruimte.

Niet om mijn geschiedenis te ontkennen, maar om haar niet langer het laatste woord te geven.

In de Masnawi vraagt Roemi ergens om hulp om dit koppige zelf uiteen te laten vallen, zodat daaronder een verborgen eenheid zichtbaar kan worden. Onder de verkramping ligt iets anders. Onder de strijd ligt een dieper verlangen. Onder het lawaai van het ego ligt een verborgen schat.

Maar die schat komt niet tevoorschijn zolang het ego alles naar zich toe trekt.

Het ego wil bezitten.
Het wil verklaren.
Het wil zich verdedigen.
Het wil winnen.
Het wil zelfs spiritualiteit gebruiken om zichzelf groter te maken.

Toch moet het ego niet eenvoudig worden vernederd of uitgeroeid. Het moet worden herordend. Zijn rechten blijven bestaan: het lichaam mag rusten, de mens mag grenzen hebben, het hart mag pijn voelen, het leven mag beschermd worden.

Maar de nafs mag niet doen alsof zij de hele waarheid is.

Daarom is adab hier opnieuw zo belangrijk.

Vroeger zou ik adab misschien vooral hebben vertaald als spirituele hoffelijkheid. Dat is niet helemaal verkeerd, maar het is te smal. Adab is meer dan beleefdheid of goede omgangsvormen. Het is de juiste houding van de ziel tegenover wat groter is dan het ego: de ander, het geschenk, de tekst, de leraar, het mysterie, de verborgen diepte van de werkelijkheid.

Het ego mist juist die houding.

Wat het ontvangt, wil het bezitten.
Wat het niet begrijpt, wil het controleren.
Wat het vreest, wil het wegduwen.
Wat het bewondert, wil het gebruiken.

Daarom is de weg van ego naar ziel ook een oefening in adab. Niet als nette buitenkant, maar als innerlijke verschuiving. De mens leert anders aanwezig te zijn: minder grijpend, minder verdedigend, minder onmiddellijk interpreterend. Meer luisterend. Meer ontvangend. Meer bereid om niet het middelpunt te zijn.

Soms is interpretatie geen zoeken naar waarheid, maar zelfbescherming. Het hoofd probeert greep te krijgen op iets wat het hart nog niet durft te ontvangen.

Dan is niet méér uitleg nodig, maar een andere houding.

Dit hoef ik nu niet te interpreteren.

Niet omdat begrijpen verkeerd is. Maar omdat er momenten zijn waarop ons begrijpen vooral een manier is om niet te hoeven voelen, niet te hoeven ontvangen, niet werkelijk aanwezig te hoeven zijn.

Roemi laat die beweging steeds opnieuw zien in zijn verhalen. Vaak begint een mens met macht, verlangen, bezit of verwarring. Hij denkt te weten wat hij nodig heeft. Maar gaandeweg blijkt dat de werkelijke wond dieper ligt.

Wat houdt mij vast?
Waar zoek ik mijn waarde?
Waar ben ik bang iets te verliezen?
Welke oude kooi verwar ik nog met veiligheid?

Soms hebben we een voorbeeld nodig om te begrijpen wat het betekent om aan het zelf te sterven.

Roemi vertelt het verhaal van een koopman en zijn papegaai. De papegaai leeft in een kooi en vraagt de koopman, die naar India reist, om de vrije papegaaien daar te groeten. Wanneer de koopman de groet overbrengt, valt een van die papegaaien dood neer. De koopman schrikt. Maar wanneer hij terugkomt en het aan zijn eigen papegaai vertelt, valt ook die dood neer. Verdrietig haalt hij haar uit de kooi. Zodra zij buiten de kooi is, vliegt ze weg.

De boodschap van de vrije papegaai was geen uitleg, maar een voorbeeld.

Sterf aan de vorm waarin je gevangen zit.

Niet aan je werkelijke leven.
Niet aan je ziel.
Maar aan de rol die je gevangen houdt, aan het verhaal waarmee je aandacht krijgt, aan de stem waarmee je jezelf in de kooi bevestigt.

Het laat zien dat sterven aan het zelf niet betekent dat het leven verdwijnt. Het betekent dat de kooi niet langer voor leven wordt aangezien.

Daarom is de weg naar binnen geen vlucht uit het leven. Het is een terugkeer naar de bron van leven in ons.

Er is genoeg te doen in de wereld. Onrecht vraagt om handelen. Kwetsbaarheid vraagt om bescherming. De aarde vraagt om zorg. Maar zonder innerlijke bron raakt handelen gemakkelijk verbitterd, verhard of zelfrechtvaardigend.

Niet alles wat wringt, is alleen maar “mijn ego”. Soms wringt een systeem. Soms is verzet nodig. Soms is grens stellen een vorm van waarheid.

Ook hierin heeft de nafs haar recht. Zij mag waarschuwen wanneer iets onveilig is. Zij mag protesteren wanneer grenzen worden overschreden. Zij mag voelen dat iets niet klopt.

Het probleem is niet dat wij een zelf hebben dat reageert, maar dat dit zelf soms de enige stem wordt die wij nog horen.

Daarom blijft de vraag:

Vanuit welke plaats handel ik?

Vanuit gekrenktheid?
Vanuit behoefte om moreel boven de ander te staan?
Vanuit angst om zelf te verdwijnen?
Of vanuit een dieper centrum?

De ziel handelt niet zwakker dan het ego. Zij handelt vrijer.

Zij kan luisteren zonder zichzelf te verliezen.
Zij kan spreken zonder te vernederen.
Zij kan grenzen stellen zonder te haten.
Zij kan dienen zonder zichzelf uit te wissen.

Misschien is dat wat Roemi bedoelt met menswording. Niet dat de mens geen angst meer kent. Niet dat het ego voorgoed verdwijnt. Maar dat er in de mens een ander centrum wakker wordt.

Een licht dat ziet zonder meteen te grijpen.
Een liefde die niet alleen behoefte is.
Een wijsheid die niet pronkt met zichzelf.
Een kracht die niet hoeft te overheersen.

Dan wordt ook het zintuig voor het mysterie anders gebruikt. Niet om onszelf bijzonder te maken. Niet om ons gelijk te bevestigen. Niet om onze wond heilig te verklaren. Maar om te herkennen waar het leven ons uitnodigt tot meer waarheid, meer liefde, meer vrijheid.

Misschien herkennen wij dat zintuig pas weer wanneer het ego niet langer alles overstemt.

Wat helpt om los te komen uit die kramp?

Niet zelfverachting.
Niet nog harder proberen iemand anders te worden.
Niet het ego bestrijden met een nog fanatieker ego.

Wat helpt, is waarheid zonder zelfhaat.

Zien wat het oude zelfbeeld heeft beschermd.
Voelen waar de angst zich heeft vastgezet.
Niet alles meteen interpreteren.
Het lichaam meenemen: ademen, vertragen, luisteren naar spanning.
Een ander toelaten die ons ziet zonder ons oude verhaal te bevestigen.
En misschien vooral: beseffen dat onze wortels dieper liggen dan onze persoonlijke geschiedenis.

Dan hoeft het ego niet langer alles te dragen.

Dan kan de ziel beginnen te ademen.

De oude derwisj-leerschool wist dat de weg van ego naar ziel niet alleen uit inzicht bestaat. Een mens wordt gevormd door oefening: door te luisteren, te herhalen, samen te lezen, muziek te maken of te luisteren, een taal te leren, eenvoudige taken te doen, stilte te oefenen, om te gaan met anderen, correctie te ontvangen, dienstbaar te zijn.

Dat is misschien een vergeten wijsheid.

Wij denken vaak dat verandering vooral uit inzicht komt. Maar inzicht alleen is niet genoeg. We worden gevormd door wat we oefenen. Door hoe we spreken, luisteren, binnenkomen, ontvangen, omgaan met irritatie, teleurstelling en verschil.

De weg van ego naar ziel vraagt niet alleen een nieuw idee over onszelf.

Zij vraagt een nieuwe vorm van aandacht.

Daarom blijft adab zo’n kostbaar woord.

Adab is de houding waarin de ziel kan groeien. Het leert ons niet alles naar onszelf toe te trekken. Het leert ons ontvangen zonder te bezitten, spreken zonder te overheersen, luisteren zonder ons meteen te verdedigen. Het leert ons de ander niet te reduceren tot functie, gedrag of bedreiging.

In mijn vorige blog schreef ik dat zonder adab de wereld platter wordt.

Dat geldt ook innerlijk.

Zonder adab wordt ook de mens platter. Dan vallen we samen met onze angst, onze begeerte, onze rol, onze wond. Met adab ontstaat er ruimte. We worden meer dan onze eerste reactie. Meer dan onze overlevingsstrategie. Meer dan het verhaal waarmee wij onszelf overeind houden.

Misschien is dat de beweging van ego naar ziel.

Niet een spectaculaire verlichting.
Niet een volmaakte staat.
Maar telkens opnieuw een kleine verschuiving.

Van grijpen naar ontvangen.
Van verdedigen naar zien.
Van zelfbehoud naar liefde.

De nafs hoeft daarin niet te worden ontkend. Zij heeft recht op ons, zoals Sjams zegt. Maar zij hoeft niet de troon te bezetten. Zij krijgt wat haar toekomt — rust, zorg, bescherming, begrenzing — maar niet de heerschappij over het innerlijk leven.

Roemi vraagt niet dat wij ons mens-zijn ontvluchten.

Hij vraagt dat wij dieper mens worden.

Dat onder het koppige zelf iets van eenheid zichtbaar wordt.
Dat in een wezen vol angst, strijd en verlangen toch een ander licht kan verschijnen.

En misschien begint dat vandaag heel eenvoudig.

Niet met de vraag:

Hoe overwin ik mijn ego?

Maar met een stillere vraag:

Wat probeert mijn ego nu te beschermen?

En daarna misschien nog een vraag:

Wat zou er kunnen gebeuren als ik daar met meer waarheid, mildheid en adab naar kijk?

Misschien wordt juist daar het zintuig voor het mysterie weer zuiverder.

Niet doordat wij iets nieuws krijgen.

Maar doordat wij leren herkennen wat er allang in ons aanwezig was.

1 thought on “Van ego naar ziel”

  1. Hugo Appels says:
    01/06/2026 at 2:51 pm

    Bedankt Sipko,… verreikend en verrijkend.

    Reply

Leave a Reply Cancel reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Archief

©2026 Roemi Vandaag | WordPress Theme by Superb WordPress Themes