Over Roemi, adab en wat wij niet mogen platmaken
Al langer houdt mij de vraag bezig wat Roemi bedoelt met het mysterie.
Niet als iets geheimzinnigs, alsof het om een verborgen raadsel gaat dat je met de juiste sleutel kunt oplossen. En ook niet als iets vaags, zweverigs of ongrijpbaars. Bij Roemi lijkt het mysterie juist dichtbij te zijn: in een ontmoeting, in een geschenk, in een mens, in een woord, in de natuur, in een plotselinge omkering van het hart.
Misschien is het mysterie bij Roemi de diepte van de werkelijkheid zelf.
De vraag is niet alleen of dat mysterie bestaat.
De vraag is: hebben wij nog het zintuig om het te herkennen?
In de inhoudsopgave van een boek dat je op het internet kon doorbladeren zag ik een hoofdstuktitel die bleef hangen: “The Sense of the Sacred.” Alleen al die titel werkte als een spiegel. Zij bracht mij terug bij een vraag die mij in Roemi’s Masnawi al langer bezighoudt: wat gebeurt er wanneer een mens het heilige niet meer als heilig herkent?
Het woord “heilig” is in het Nederlands geen eenvoudig woord. Het klinkt voor veel mensen kerkelijk, zwaar of beladen. En we denken al snel aan “heilige huisjes”: overtuigingen, gewoonten of instellingen waar je niet aan mag komen. Alsof het heilige vooral betekent dat iets buiten kritiek wordt geplaatst.
Daar komt nog iets bij. Als we naar Sjams kijken, kan juist het omver trappen van heilige huisjes een spirituele daad zijn. Hij had weinig geduld met schijnheiligheid, met religieuze vormen die geen leven meer droegen, met eerbied die eigenlijk angst was geworden. Soms moet wat “heilig” heet juist worden opengebroken, omdat het het mysterie niet meer dient maar afschermt.
Bovendien heeft de moderne mens een sterk ontwikkeld wantrouwen. En niet zonder reden. Te vaak is er gesproken over waarheid, traditie of hogere waarden, terwijl er ondertussen macht, eigenbelang, uitsluiting of zelfbehoud in het spel waren. Wie vandaag hoort dat er buiten ons zelfbehoud een werkelijkheid bestaat die groter is dan ons eigenbelang, denkt al snel: ja, maar wie zegt dat? En wie heeft er belang bij dat ik dat geloof?
Dat wantrouwen moeten we niet te snel wegduwen. Het kan ons beschermen tegen valse heiligheid.
Maar wantrouwen begint tegen ons te werken wanneer het alles bij voorbaat verdacht maakt. Dan gooien we, zoals het gezegde luidt, de baby met het badwater weg. We ontmaskeren niet alleen het misbruik van heilige taal, maar verliezen ook het vermogen om nog iets als werkelijk waardevol, waarachtig of geschonken te herkennen. Niet alleen de valse heiligheid valt weg; ook het zintuig voor het mysterie raakt afgestompt.
Misschien begint adab juist daar: niet alleen eerbied voor het mysterie, maar ook eerbied voor de weg die iemand heeft afgelegd om het mysterie niet meer te kunnen vertrouwen. Ook ongeloof kan een vorm van eerlijkheid zijn. Ook verzet tegen valse heiligheid kan dichter bij het mysterie staan dan vrome taal zonder waarachtigheid.
Met “heilig” bedoel ik daarom niet: onaantastbaar, dogmatisch of beschermd tegen vragen.
Het heilige is niet wat je niet mag bevragen.
Het is wat je niet mag platmaken.
Misschien is het besef van het heilige wel een verbindende oerbehoefte. Niet omdat mensen allemaal dezelfde geloofstaal delen, maar omdat ieder mens verlangt naar iets wat groter is dan overleven, bezit, strijd en eigenbelang. We hebben behoefte aan een ruimte waarin het leven niet wordt gereduceerd tot nut, macht of verklaring. Een ruimte waarin eerbied mogelijk blijft.
Wanneer dat zintuig verloren gaat, verliezen we niet alleen een religieuze taal. We verliezen een verbindende laag van mens-zijn. Dan blijft er strijd over om belangen, posities en verklaringen. Maar wat mensen werkelijk samenbindt — eerbied, verwondering, dankbaarheid, het besef dat wij niet alles bezitten — raakt uit beeld.
Bij de Carmeliet Kees Waaijman vond ik een verwante gedachte. Het heilige ligt niet ergens buiten de werkelijkheid, maar in het leven zelf zoals het zich aandient. Juist het concrete, kwetsbare, weerbarstige leven kan plaats van ontmoeting worden. Maar daarvoor moeten wij vaak eerst afpellen wat wij eroverheen leggen: onze façades, onze beheersing, onze neiging om alles naar onze hand te zetten.
Waaijman gebruikt ergens het beeld van gast-zijn. We zijn te gast in het leven, maar gedragen ons vaak alsof wij eigenaar zijn. We beginnen, nog voordat we werkelijk ontvangen hebben, innerlijk de meubels te verzetten. Alles moet op de plaats komen die ons het beste uitkomt.
Die gedachte raakt voor mij direct aan Roemi’s woord adab.
Misschien begint mijn zoektocht juist daar.
Ik ben steeds scherper gaan zien hoe mensen — ikzelf inbegrepen — vaak handelen vanuit onbewuste motieven. Angst. Overlevingsdrang. Gekwetstheid. Behoefte aan erkenning. Strijd. We denken dat we vrij kiezen, maar vaak verdedigen we iets. We beschermen een beeld van onszelf. We reageren op dreiging, ook wanneer die dreiging niet meer werkelijk aanwezig is.
Dat inzicht kan somber maken.
Maar bij Roemi opent het juist een andere mogelijkheid. Hij beschrijft de mens niet alleen als een wezen van begeerte, angst en strijd. Hij ziet in de mens ook een mogelijkheid tot ontwaken. Er kan een ander licht gaan schijnen: wijsheid, mededogen, onbaatzuchtigheid, een handelen dat niet langer alleen uit het ego voortkomt.
Misschien begint daar het mysterie: bij het wonder dat een mens niet opgesloten hoeft te blijven in zijn eerste reacties.
Dat er iets in ons kan ontwaken wat ruimer is dan zelfbehoud.
In Boek I van de Masnawi verschijnt daarvoor een belangrijk woord:
adab.
Vaak wordt adab vertaald als hoffelijkheid, goede manieren of respect. Maar bij Roemi gaat het dieper. Adab is niet fatsoen in burgerlijke zin. Het is de juiste houding van de ziel tegenover de leermeester, het geschenk, het mysterie en de verborgen rangorde van de werkelijkheid.
Het tegendeel, bī-adabī, is daarom niet zomaar grofheid. Het is een vorm van metafysische onbeschaafdheid. Men ziet het heilige niet meer en behandelt genade alsof zij bezit is.
Roemi zegt in Boek I, versregel 78:
Laten wij vragen om hulp tot adab,
want wie adab mist, is beroofd van genade.
Daarmee plaatst hij adab meteen in een groter verband. Het gaat niet om nette omgangsvormen, maar om ontvankelijkheid. Wie geen adab heeft, verliest niet alleen manieren. Hij verliest zijn gevoeligheid voor wat hem geschonken wordt.
Roemi werkt dat uit met verschillende voorbeelden.
Hij verwijst naar het volk van Mozes, dat hemels voedsel ontving, maar ontevreden werd. In plaats van het geschenk met eerbied te ontvangen, wilden zij meer, anders, gewoner. Het geschenk werd niet meer als geschenk gezien. Het werd vanzelfsprekend, bijna een recht. Daar begint bī-adabī: wanneer genade bezit wordt.
Hetzelfde gebeurt in de verwijzing naar de tafel van Jezus. De hemelse tafel verschijnt als geschenk, maar zodra mensen hamsteren, wantrouwen en willen veiligstellen wat hun wordt, verdwijnt de overvloed. Niet omdat de bron karig is, maar omdat de houding van ontvangen verloren is gegaan.
Hier wordt duidelijk wat Roemi bedoelt.
Het mysterie verdwijnt niet omdat het er niet meer is.
Het verdwijnt omdat wij het niet meer kunnen ontvangen.
Wat missen we dan volgens Roemi?
We missen een belangrijke dimensie van het leven. We zien nog wel de buitenkant, maar niet meer de diepte. We zien wat bruikbaar is, maar niet wat geschonken wordt. We zien mensen in termen van functie, afkomst, nut, tekort of gedrag, maar niet meer als dragers van een geheim.
Zonder adab wordt de wereld platter. Genade wordt recht. Liefde wordt behoefte. Kennis wordt bezit. Religie wordt taal zonder eerbied.
Een tweede voorbeeld is Iblis. Wanneer Adam geëerd wordt, ziet Iblis alleen klei. Zijn waarneming is niet helemaal onjuist. Adam is uit klei gevormd. Maar juist daarin ligt zijn blindheid: hij heeft gelijk op één niveau en mist daardoor de hogere werkelijkheid.
Hij ziet het materiaal, niet de adem.
Hij ziet vorm, niet geheim.
Hij ziet rangorde, maar niet liefde.
Dat is misschien de scherpste vorm van bī-adabī: de werkelijkheid reduceren tot wat je er met je eigen maatstaf van kunt begrijpen. Iblis mist niet omdat hij niets weet. Hij mist omdat zijn weten geen eerbied kent.
Daarom is adab bij Roemi ook een vorm van zien.
Kun je een mens zien zonder hem te reduceren tot afkomst, nut, lichaam, functie of gebrek?
Kun je een ontmoeting herkennen als meer dan toeval?
Kun je een geschenk ontvangen zonder het te bezitten?
Kun je buigen zonder jezelf te verliezen?
Een derde voorbeeld vinden we in het verhaal van de koning en de zieke slavin. De koning heeft macht, bezit, middelen. Maar hij kan de ziekte niet genezen. Pas wanneer de goddelijke arts verschijnt, verandert er iets. De koning herkent hem niet als zomaar een arts, maar als iemand die uit het Ongeziene gezonden is. Hij gaat hem tegemoet, kust zijn hand en voorhoofd, en ontvangt hem met eerbied.
Dat is adab.
Niet slaafsheid.
Niet onderworpenheid.
Maar herkenning.
De ziel weet dat zij tegenover meer staat dan wat uiterlijk zichtbaar is.
Hier raakt adab aan wat Helminski’s hoofdstuktitel “the sense of the sacred” noemt: het zintuig voor het heilige. Of eenvoudiger gezegd: het vermogen om te herkennen dat iets of iemand niet tot onze gewone categorieën herleid mag worden.
Bij Roemi is het mysterie niet iets wat je oplost.
Het is iets waarvoor je wakker wordt.
En adab is de houding waardoor dat ontwaken mogelijk blijft.
Wat hebben we nodig om ontvankelijk te zijn voor dat mysterie?
Misschien niet méér overtuigingen.
Niet méér verklaringen.
Niet méér zekerheid.
Misschien moeten we juist iets loslaten: de drang om meteen te grijpen, te bezitten, te beoordelen, te verklaren. De gewoonte om de werkelijkheid onmiddellijk in te delen naar nut, gevaar of voordeel. De reflex om alles wat ons overstijgt verdacht te maken, omdat wij bang zijn opnieuw misleid te worden.
Maar loslaten betekent hier niet dat we kritiekloos worden.
Adab vraagt niet om naïviteit. Het vraagt om fijnere waarneming. Niet alles geloven, maar ook niet alles platmaken. Niet meegaan in valse heiligheid, maar ook het vermogen tot eerbied niet verliezen.
Zonder adab wordt zelfs religie grof. Dan gebruiken we heilige woorden om onszelf te bevestigen. Dan maken we van wijsheid bezit. Dan behandelen we de meester als leverancier, de tekst als materiaal, de ander als middel, de aarde als voorraad, genade als recht.
Met adab verandert de verhouding.
Dan wordt luisteren belangrijker dan beheersen.
Ontvangen belangrijker dan grijpen.
Aanwezig zijn belangrijker dan verklaren.
Misschien is dat ook een probleem van onze tijd. We weten veel, meten veel, analyseren veel. Maar weten we nog hoe wij ons moeten verhouden tot wat groter is dan wijzelf? Tot de aarde. Tot kwetsbaarheid. Tot liefde. Tot dood. Tot genade.
Een cultuur zonder besef van het heilige wordt snel hard. Wat zij niet kan meten, acht zij niet werkelijk. Wat zij niet kan bezitten, noemt zij nutteloos. Wat zij niet kan verklaren, verliest haar geduld ermee.
Maar Roemi nodigt ons uit tot een andere houding.
Niet anti-intellectueel.
Niet sentimenteel.
Niet wereldvreemd.
Hij vraagt om een verfijning van waarneming. Om een hart dat leert onderscheiden wanneer het ego aan het grijpen is, wanneer kennis een sluier wordt, wanneer religie haar eerbied verliest, wanneer genade wordt behandeld alsof zij vanzelf spreekt.
Misschien is het mysterie van Roemi niet dat de mens een engel wordt.
Maar dat er in een wezen vol angst, begeerte en strijd toch een licht kan verschijnen.
Een licht dat niet veroordeelt, maar doorziet.
Niet grijpt, maar dient.
Niet alles naar zichzelf toe trekt, maar ruimte maakt voor de ander.
Daarom is adab geen versiering van spiritualiteit. Het is haar voorwaarde. Zonder adab zien wij alleen klei. Met adab kunnen wij iets herkennen van de adem die erin geblazen is.
Mijn zoektocht naar Roemi’s mysterie is daarom ook een zoektocht naar bevrijding uit de vanzelfsprekendheid van mijn eigen motieven. Kan ik zien wanneer ik handel uit angst? Uit gekwetstheid? Uit behoefte aan erkenning? Kan ik merken wanneer ik het leven wil controleren omdat ik het niet durf te ontvangen?
En kan er, al is het maar even, een ander licht doorheen vallen?
Misschien is dat het besef van het heilige: niet dat de wereld plotseling vol wonderen staat, maar dat wij leren zien waar wijsheid, genade en onbaatzuchtigheid door het gewone heen breken.
En misschien is adab de houding die daarbij past.
Niet grijpen.
Niet bezitten.
Niet onmiddellijk verklaren.
Maar eerbiedig aanwezig zijn bij het mysterie dat een mens méér kan worden dan zijn angst.
