Skip to content
Menu
Roemi vandaag
  • Roemi
  • Thema’s
    • Cultuur
      • Literatuur
      • Muziek
    • Natuur
    • Foto
    • Video
  • Boeken en CD’s
  • Kalender
  • Over Sipko A. den Boer
  • Nieuwsbrief
Roemi Vandaag Roemi vandaag

Wanneer niemand leider wil zijn

Posted on 17/05/202618/05/2026

Over verborgen leiderschap, levende overdracht en de valkuilen van anti-hiërarchie in soefigemeenschappen

In sommige spirituele gemeenschappen zegt men liever niet dat iemand leiding geeft. Toch zijn er altijd mensen die bepalen wat past, wie toegang krijgt, welke initiatieven doorgang vinden en welke stemmen gewicht hebben. De vraag is dus niet óf er leiderschap is, maar of dat leiderschap zichtbaar en aanspreekbaar is.

Ook binnen soefikringen leeft vaak een begrijpelijke terughoudendheid tegenover hiërarchie, opvolging en persoonlijk leiderschap. Men wil voorkomen dat geestelijk werk zich vastzet in macht, status of afhankelijkheid van één persoon. Die voorzichtigheid is waardevol. Zij komt voort uit een terechte gevoeligheid voor autoritair leiderschap, spirituele zelfverheffing en verstarring.

Maar leiderschap verdwijnt niet doordat men het woord vermijdt. En gelijkwaardigheid ontstaat niet vanzelf doordat formele hiërarchie wordt afgewezen.

Waar mensen samenkomen rond een soefihuis, een centrum, een stichting, een vereniging of een geestelijke erfenis, ontstaat altijd de vraag wie verantwoordelijkheid draagt. Wie bewaakt de continuïteit? Wie bepaalt wat wel of niet past? Wie heeft toegang tot overleg? Wie beheert het gebouw, de middelen of de nalatenschappen? Wie krijgt ruimte om iets aan te bieden, en wie niet?

In gemeenschappen die sterk hechten aan gelijkwaardigheid kan juist daardoor informeel leiderschap ontstaan. Formeel is er misschien geen geestelijk hoofd. Formeel is iedereen gelijkwaardig. Maar in de praktijk zijn er vaak mensen die centraler staan dan anderen. Zij hebben meer informatie, meer ervaring, meer bestuurlijke invloed, meer vertrouwen bij betrokkenen of meer zeggenschap over het gebruik van ruimte en middelen.

Dat hoeft niet verkeerd te zijn. Iedere gemeenschap heeft mensen nodig die bewaren, dragen en verbinden. Niet elke invloed is macht in negatieve zin. Invloed wordt pas problematisch wanneer zij beslissend wordt, maar niet zichtbaar, toetsbaar of overdraagbaar is.

Wie bepaalt wat in een centrum wel of niet mag gebeuren, draagt feitelijk verantwoordelijkheid. Ook wanneer die verantwoordelijkheid niet als leiderschap wordt benoemd.

Vaak wordt een initiatief langs twee meetlatten gelegd. De eerste is praktisch: draagt het bij aan de financiële continuïteit van het centrum, trekt het mensen, helpt het huis of de organisatie in stand te houden? De tweede is inhoudelijk: past het binnen wat men beschouwt als de leringen van een niet meer in leven zijnde leraar, of binnen de interpretaties, gewoonten en gevoeligheden die in de loop der tijd in een bepaalde kring zijn gaan leven?

Beide vragen zijn begrijpelijk. Een soefihuis moet kunnen voortbestaan. En een traditie mag haar eigen bedding bewaken. Maar wanneer deze toetsing niet helder wordt besproken, ontstaat er spanning. Dan is niet altijd duidelijk wie bepaalt wat ‘past’, op grond waarvan dat gebeurt, en of die beoordeling zelf nog bevraagd mag worden.

‘Past het binnen de lering?’ kan dan ongemerkt gaan betekenen: past het binnen onze vertrouwde vorm, onze stijl, onze geschiedenis, onze gevoeligheden? En de vraag naar financiële continuïteit kan ongemerkt zwaarder gaan wegen dan de vraag of iets werkelijk verdieping brengt. Zo kan een centrum zorgvuldig worden behouden, terwijl levende overdracht minder ruimte krijgt.

Daarbij kunnen langdurige relaties, familiebanden, bestuursfuncties, toegang tot overleg en beheer van middelen samen een informeel netwerk van invloed vormen. Dat hoeft niet uit kwade wil te gebeuren. Vaak groeit zoiets geleidelijk en met goede bedoelingen. Maar het heeft wel gevolgen. Sommige stemmen wegen zwaarder dan andere. Sommige mensen krijgen gemakkelijker toegang. Sommige initiatieven worden sneller vertrouwd dan andere. Vernieuwing of levende ervaring kan dan worden ervaren als verstoring, terwijl zij misschien juist een verrijking zou kunnen zijn.

Vaak stappen mensen naar voren omdat hun werk, afkomst, familiegeschiedenis, maatschappelijke positie of langdurige betrokkenheid hun het gevoel geeft dat zij deze rol op zich moeten nemen. Soms wordt dat door de omgeving ook vanzelfsprekend gevonden. Maar daarmee zijn zij nog niet werkelijk gekozen als geestelijke of inhoudelijke dragers van verdieping. Hun rol ontstaat uit beschikbaarheid, positie of vanzelfsprekendheid, niet noodzakelijk uit innerlijke roeping, doorleefde ervaring of het vermogen anderen verder te helpen.

Er is een mondeling overgeleverd verhaal over Roemi en Sjams. Zij waren eens te gast in een soefihuis. Er werd op de deur geklopt en er stonden twee koeriers voor de deur. De sjeik van hun soefihuis was onlangs overleden en de gemeenschap was naarstig op zoek naar een nieuwe sjeik. Roemi en Sjams hielden wijselijk hun mond. Toen de koeriers weer vertrokken waren, zeiden ze tegen elkaar: ‘Gelukkig zochten ze een sjeik. Als ze naar een derwisj hadden gevraagd, hadden wij moeten gaan.’

Voor mij raakt dit verhaal precies aan het verschil tussen positie en beschikbaarheid. Wie zoekt naar een sjeik, zoekt misschien naar een functie, een titel, een opvolger, iemand die de plaats van de vorige leider kan innemen. Maar wie zoekt naar een derwisj, zoekt naar iemand die werkelijk beschikbaar is: iemand die zichzelf niet vooropstelt, maar dienstbaar is aan de weg.

Een gemeenschap heeft niet alleen beheerders, voorzitters of vertegenwoordigers nodig. Zij heeft ook mensen nodig die, als de oude harpspeler uit de verhalen van Roemi, een toon kunnen aanslaan waardoor iets van de levende traditie weer hoorbaar wordt. Bij Roemi is de oude harpspeler geen bestuurder of gezagsdrager, maar iemand wiens doorleefde toon iets opent wat niet door organisatie alleen kan ontstaan.

Dat is iets anders dan naar voren treden vanwege status, afkomst of bestuurlijke vanzelfsprekendheid. Het gaat om iemand die door levenservaring, kwetsbaarheid en overgave iets heeft doorleefd en daardoor een ruimte kan openen waarin anderen verdieping herkennen.

Ik schrijf dit niet om personen te beschuldigen. Ik schrijf dit omdat iedere spirituele gemeenschap vroeg of laat eerlijk moet kijken naar de vraag waar invloed feitelijk ligt.

Erkend leiderschap kan worden bevraagd. Men kan vragen: wat is je mandaat? Hoelang draag je deze rol? Aan wie leg je verantwoording af? Hoe maak je overdracht mogelijk? Informeel leiderschap is moeilijker aanspreekbaar. Wie feitelijk invloed heeft, maar die invloed niet als leiderschap ziet, kan buiten zulke vragen blijven.

Tegelijk wil ik niet vervallen in het andere uiterste. In sommige spirituele scholen wordt sterk benadrukt dat iemand die zich in de rol van leraar plaatst zonder zelf een leraar te hebben, zich in een penibele situatie manoeuvreert. Die waarschuwing neem ik serieus. Spiritueel leraarschap zonder toetsing, spiegeling, overdracht en nederigheid kan gevaarlijk worden.

Maar ook die waarschuwing kan verstarren. Wanneer alleen formele opvolging, afkomst of erkenning binnen een lijn nog legitimiteit geeft, wordt levende ervaring ondergeschikt gemaakt aan status. Dan telt vooral van wie iemand het heeft ontvangen, en minder wat het in die persoon heeft geopend, verdiept of getransformeerd.

De vraag is dus niet eenvoudig: zijn wij voor of tegen leiderschap? De diepere vraag is: hoe gaan wij eerlijk om met invloed, ervaring en overdracht?

Voor mij ligt er een vruchtbare middenweg. Ik zou wensen dat er soefihuizen konden zijn waar mensen met hun levende ervaring, scholing en expertise iets mogen aanbieden waar anderen inspiratie uit kunnen putten. Niet als onaantastbare leraren. Niet als opvolgers met een machtsclaim. Maar als tijdelijke dragers van inzicht, oefening en ervaring.

Zo’n huis hoeft niet te draaien om één centrale figuur. Het hoeft ook geen plaats te zijn waar iedereen zichzelf zomaar tot leraar kan verklaren. Maar het zou evenmin een plaats moeten zijn waar elk aanbod van ervaring onmiddellijk als bedreigend wordt ervaren.

Daarvoor is helderheid nodig. Wie een centrale rol vervult, mag erkennen dat die rol invloed heeft. Wie bepaalt wat past, moet aanspreekbaar zijn op de criteria die worden gebruikt. Wie een positie niet actief wil dragen, kan ruimte maken voor anderen. En wie zegt gelijkwaardigheid belangrijk te vinden, moet bereid zijn te onderzoeken waar informele ongelijkheid toch kan ontstaan.

Een levende soefitraditie kan niet alleen worden bewaard door gebouwen, legaten, namen, teksten of overlegstructuren. Zij vraagt ook om levende overdracht. Bewaren is belangrijk, maar bewaren mag geen bevriezen worden.

Misschien is dit de kern:

Niet leiderschap is het probleem, maar onbenoemde macht.
Niet expertise is het probleem, maar onaantastbare autoriteit.
Niet overdracht is het probleem, maar overdracht zonder toetsing.
En niet gelijkwaardigheid is het probleem, maar de illusie dat gelijkwaardigheid betekent dat niemand iets van een ander kan leren.

Een levende soefitraditie vraagt om meer dan behoud. Zij vraagt om overdracht, toetsing, ontvankelijkheid en de moed om invloed zichtbaar te maken. Niet om nieuwe machtsstructuren te scheppen, maar om te voorkomen dat een ideaal van gelijkwaardigheid ongemerkt verandert in een verborgen hiërarchie.

Leave a Reply Cancel reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Archief

©2026 Roemi Vandaag | WordPress Theme by Superb WordPress Themes