Over Roemi en het herkennen van ware en valse leraren
Soms is het juist de ontluistering die de sluier oplicht — waardoor zichtbaar wordt wat werkelijk van waarde is en wat licht brengt.
In de loop van de tijd heb ik verschillende verhalen gehoord van mensen die zich bewogen binnen soefi-kringen. Zo vertelde Alim eens over zijn eerste ervaringen met het soefisme, en ook het artikel van Peter ten Hoopen, “de grote soefi zwendel” riep bij mij herkenning en vragen op. Niet om te oordelen over wat er gebeurd is, maar om stil te staan bij wat zulke ervaringen betekenen voor de mensen die er middenin stonden.
Wat gebeurt er wanneer het ideaal waar je je toe aangetrokken voelt — de belofte van verdieping, liefde en waarheid — zich vermengt met menselijke dynamieken van macht, aandacht, invloed en geld?
Ik heb in de loop van de tijd ook een aantal mensen leren kennen uit de kring rond Fazal Inayat Khan. In gesprekken wordt weleens verwezen naar wat daar is gebeurd, soms voorzichtig, soms met meer uitgesproken ervaringen. Wat daarin vooral opvalt, is niet zozeer de inhoud van de verhalen, maar de verschillende manieren waarop mensen er betekenis aan geven.
Voor de één bevestigt het twijfels die al langer aanwezig waren. Voor de ander vormt het een kantelpunt, waarin iets zichtbaar wordt dat eerder buiten beeld bleef. En weer anderen spreken er nauwelijks over, alsof de ervaring zich niet gemakkelijk in woorden laat vangen.
Ik had er ook voor kunnen kiezen om voorbeelden te noemen uit mijn eigen relatie met een leraar. Die ervaringen zijn er, en ze hebben mij veel geleerd, maar daar heb ik op andere plaatsen al over geschreven. De voorbeelden die ik hier aanhaal, heb ik bewust gekozen omdat ze naar buiten zijn gebracht en daardoor een bredere betekenis hebben gekregen.
Dat maakt het mogelijk om ernaar te kijken zonder direct in het persoonlijke te blijven hangen. Tegelijk roept het herkenning op. Zoals ook de misstanden rond Rajneesh movement in de jaren tachtig lange tijd onder de oppervlakte bleven en pas later duidelijker naar buiten kwamen, zo lijken ook andere verhalen hun weg naar buiten te vinden wanneer de tijd er rijp voor is.
Niet alles wordt meteen zichtbaar, en niet alles kan meteen gezien worden. Maar wat verborgen blijft, verdwijnt niet — het wacht tot het onder ogen kan worden gezien.
Het is echter te eenvoudig om zulke situaties uitsluitend te verklaren vanuit eigenbelang. Hoe herkenbaar dat ook kan zijn, het blijft een eendimensionaal beeld. Het doet geen recht aan de werkelijkheid waarin mensen ook oprecht zoeken, dienen en proberen iets van waarheid te belichamen.
Juist daarom voegt ontluistering een andere dimensie toe. Niet alleen een kritische blik naar buiten, maar ook een innerlijk weten dat er wél degelijk mensen zijn die — in meerdere of mindere mate — handelen vanuit iets wat je een goddelijk bewustzijn zou kunnen noemen. Dat besef voorkomt dat onderscheid verhardt tot wantrouwen. Het houdt de mogelijkheid open dat er echte leiding bestaat, zonder blind te worden voor wat zich ten onrechte als zodanig voordoet.
Er wordt weleens gezegd: aan de leerling herken je de vaardigheden en de eigenaardigheden van de leraar. Een eenvoudige zin, maar met een diepe waarheid. Wat in een leraar aanwezig is — helderheid of verwarring, vrijheid of afhankelijkheid — werkt onvermijdelijk door in degenen die zich aan hem of haar toevertrouwen.
Dat maakt onderscheid soms indirect zichtbaar. Niet door te kijken naar woorden of claims, maar naar wat er groeit in de mensen eromheen. Ontstaat er ruimte, zelfstandigheid en innerlijke verdieping? Of juist afhankelijkheid, imitatie en verwarring?
Misschien ligt hierin een stille toetssteen, die ook terug te vinden is in de geest van Roemi: dat een ware leraar niet zozeer volgelingen voortbrengt, maar mensen die zelf tot leven komen.
Roemi verwoordt dit onderscheid met opmerkelijke helderheid:
Men moet te gast worden bij hen die weldaden schenken.
Maar jij bent leerling en gast van iemand
die je berooft van alles wat je hebt.
Hij is niet sterk — hoe zou hij jou sterk maken?
Hij geeft geen licht, hij maakt je donker.
Hoe zou hij anderen licht kunnen geven,
als hij zelf geen licht heeft?
Hij is als een halfblinde oogarts…
Hier wordt het onderscheid tastbaar. Niet als oordeel, maar als vraag: wat gebeurt er met je in de nabijheid van een leraar?
Word je helderder, vrijer, levendiger?
Of raak je juist iets kwijt — kracht, helderheid, richting?
Tegelijk wijst Roemi op een subtielere laag:
Die voorstellingen die de heiligen treffen,
zijn de weerspiegeling van de schoonheden uit de tuin van God…
Wat we herkennen in een ander, kan ook iets zijn wat al in onszelf leeft. Dat maakt de relatie tussen leraar en leerling tegelijk echt en kwetsbaar.
Juist daarom is innerlijke discipline (adab) onmisbaar. Het ontbreken daarvan blijft niet zonder gevolgen:
De ongedisciplineerde mens schaadt niet alleen zichzelf,
maar zet de hele wereld in brand.
Er kwam een tafel uit de hemel,
zonder arbeid en zonder handel.
Maar sommigen riepen: waar is de knoflook en waar zijn de linzen?
Toen werd het hemelse voedsel weggenomen,
en bleef alleen het zwoegen over…1
Hier verschuift het perspectief. Niet alleen de leraar speelt een rol — ook de mens zelf. Wat gegeven wordt, kan verloren gaan wanneer het niet wordt herkend of gedragen.
In die zin gaat het niet om het ontmaskeren van anderen, maar om het verfijnen van het vermogen om te zien.
Wat zich aandient als licht, is niet altijd licht.
Maar wat ontluisterend is, kan juist een doorgang zijn —
naar iets dat wél echt is.
- Roemi citaten komen uit Masnawī, boek I, 2265-68; 72-78 en 79-82 ↩︎
