Tweeluik – Deel II
Dit vervolgstuk sluit aan op mijn eerdere reflectie over Mevlevi-erfenis, representatie en autoriteit. Waar het eerste deel ging over onderscheid in het veld, gaat dit tweede deel over wat die vragen in mijzelf hebben losgemaakt.
Onlangs kreeg ik bericht van de autoriteiten: een stichting waar ik vijftien jaar geleden al afscheid van had genomen, bleek formeel nog te bestaan. Slapend, maar juridisch niet ontbonden.
Dat betekende: oude notulen opzoeken, bestuursbesluiten terugvinden, archieven openen.
Ik begon aan een administratieve zoektocht. Ik eindigde in een innerlijke confrontatie.
Tussen oude mappen en digitale archieven vond ik correspondentie uit een periode waarin ik actief was binnen een soefi-organisatie. Brieven die ik ooit schreef vanuit toewijding, verantwoordelijkheid en een oprecht verlangen om iets te dienen dat groter voelde dan mijzelf.
Wat mij bij het herlezen raakte, was niet schaamte, maar helderheid. Ik herkende mijn idealisme. Ik herkende mijn bereidheid om te dragen. En ik zag ook iets anders: hoe gemakkelijk innerlijk werk en organisatorische macht door elkaar waren gaan lopen.
Ik lees mezelf terug als iemand die probeerde harmonie te bewaren, spanningen te verzachten, mensen bijeen te houden. Tegelijk zie ik hoe snel spirituele taal wordt ingezet om structurele problemen te verpakken. Wanneer er onduidelijkheid was over rollen, hiërarchie of verantwoordelijkheid, verschoof het gesprek naar “innerlijk proces”. Wanneer er wrijving ontstond, werd dat al gauw benoemd als ego, projectie of gebrek aan overgave.
Zelfonderzoek is waardevol. Maar niet alles wat wringt is een innerlijk tekort. Soms wringt een systeem.
Ik schreef toen al dat ik jarenlang “vrij en met plezier” mijn tijd en energie had gegeven, maar dat er iets moest veranderen. Ik sprak over gebrek aan steun. Over onuitgesproken spanningen. Over de vermenging van charisma en organisatie. Ik probeerde woorden te geven aan iets wat ik toen nog niet volledig kon plaatsen.
Achteraf zie ik het scherper. Ik bevond me op een breukvlak:
tussen inspiratie en institutionalisering,
tussen spirituele nabijheid en bestuurlijke afstand,
tussen dienstbaarheid en zelfverloochening.
Wat mij daarbij steeds sterker opvalt — ook in hedendaagse initiatieven — is hoe spiritualiteit zich presenteert. Met herkenbare stijlen, zorgvuldig opgebouwde netwerken van “belangrijke leraren”, esthetiek, branding. Niet alleen inhoud telt, maar ook verpakking.
Autoriteit ontstaat steeds vaker via associatie: wie men kent, wie men citeert, wie men uitnodigt. Dat vervangt langzaam de vraag naar innerlijke rijping. Ik herken daarin patronen die ik vroeger van binnenuit meemaakte, maar nu van buitenaf zie.
Ook in populaire publicaties over soefisme zie ik deze verschuiving. De mystieke traditie wordt toegankelijk gemaakt voor een westers publiek — wat waardevol kan zijn — maar tegelijk vaak ontdaan van haar weerbarstige kanten: discipline, innerlijke eenzaamheid, het ongemakkelijke werk van zelfontmanteling.
Veel spirituele bewegingen functioneren goed zolang ze klein blijven, warm, idealistisch. Maar zodra geld, status, titels en loyaliteit in het spel komen, ontstaan andere krachten. Dan sluipt macht binnen via de achterdeur van toewijding. Dan wordt gemeenschap soms een subtiele vorm van sociale controle. Dan verschuift vrijheid ongemerkt naar afhankelijkheid.
Mijn vertrek was geen dramatische breuk. Het was een langzaam loslaten. Geen afwijzing van het soefi-gedachtegoed, geen afrekening met mystiek of poëzie — maar wel een afscheid van het idee dat innerlijke verdieping gebonden moet zijn aan een organisatie.
Mijn vertrek werd echter niet in die termen erkend. Door mijn leraar werd mijn kritiek en terugtrekking hervertaald als spirituele terugval — alsof het stellen van vragen bij de structuur gelijkstond aan het verliezen van innerlijke helderheid. In die herframing verdwenen mijn inhoudelijke zorgen geleidelijk uit beeld. Wat ik had ingebracht als organisatorische en ethische vragen werd stilzwijgend verplaatst naar het domein van persoonlijk tekort. Pas later begon ik dit patroon te herkennen: hoe structurele spanningen kunnen worden omgebogen tot innerlijke diagnoses — en hoe krachtig dit mechanisme werkt in het beschermen van gezag.
En nu, jaren later, is ook de formele rest opgelost. De autoriteiten hebben bevestigd dat de stichting definitief is ontbonden. Wat wij destijds zagen als een non-profit initiatief, blijkt in de ogen van de belastingdienst een onderneming te zijn geweest. Dat contrast raakte me. Alsof twee werkelijkheden elkaar even kruisten: de taal van idealen en de taal van systemen. Administratief is het dossier nu gesloten. Innerlijk was dat al langer het geval.
Wat deze herontmoeting met het verleden mij vooral heeft geleerd, is dit: rijping betekent niet dat je het heilige verliest. Het betekent dat je het minder snel uit handen geeft.
Mijn familiegeschiedenisboek is inmiddels afgerond. Na een relatieve stilte van dertien jaar werk ik nu aan een nieuwe opdracht: een boek met verhalen uit de Masnawī. Geen programma. Geen beweging. Geen platform. Alleen tekst, aandacht en luisteren.
Daarnaast speel ik lavta, de Constantinople luit. Ook daar gebeurt iets eenvoudigs en wezenlijks: afstemmen, herhalen, verdiepen. Geen publiek nodig om geraakt te worden.
En toch: het pad hoeft niet eenzaam te zijn. Saki en ik hebben ons voorgenomen om in het nieuwe jaar zo nu en dan een kring van minnaars bijeen te brengen in het soeficentrum in Den Haag. Niet als organisatie, niet als methode, niet als nieuw verband. Gewoon mensen die samen willen luisteren, zingen, lezen, zwijgen. Muziek, poëzie, verhalen en meditatie — als gedeelde aandacht.
Roemi schrijft: Stap uit de cirkel van tijd in de cirkel van liefde.
Misschien is dat wat hier voorzichtig ontstaat: geen nieuwe structuur, maar een ruimte waarin aanwezigheid belangrijker is dan vorm.
Misschien is dat mijn stille ontbinding:
niet de opwinding van het begin,
maar de rust van het blijven.
Niet het sluiten van een deur,
maar het openen van een kamer zonder muren.
