Introductie
Sjams’ woorden over zijn jaren als leraar zijn tegelijk fascinerend en verontrustend. Ze vertellen over toewijding, charisma en de intensiteit van leraarschap, maar ook over angst, lijfstraffen en twijfel aan eigen handelen. Vaak wordt er selectief geciteerd uit het werk van Sjams en Roemi, maar juist de ambigue, harde passages zijn waardevol: ze nodigen uit tot reflectie over discipline, verantwoordelijkheid en de grenzen van opvoeding. In deze blog lees je zowel de confessie van Sjams als mijn persoonlijke reflectie op de impact van strengheid door generaties heen.
Mijn jaren als leraar – lessen en littekens
Wanneer we terugkijken op oude onderwijsmethoden, worden we vaak geconfronteerd met een harde werkelijkheid. Waar opvoeding en vorming bedoeld waren om kinderen te laten groeien, sloegen de middelen soms door naar misbruik, intimidatie en geweld. De verhalen die Sjams vertelt over zijn tijd als leraar zijn daar een schrijnend voorbeeld van. Ze tonen zowel zijn toewijding als de schaduwzijde van een systeem waarin slaan en vernederen als normaal werden gezien.
Tegelijkertijd hebben zijn woorden een dubbele lading: ze lezen als een confessie, een bekentenis van zijn fouten en strengheid, maar ook als een vorm van onderricht. Hij laat zien hoe hij discipline en toewijding vormgaf, soms op manieren die vandaag als wreed zouden worden beschouwd. De lezer wordt uitgenodigd zowel te luisteren naar de berouwvolle reflectie als naar de verborgen lessen over toewijding, verantwoordelijkheid en de complexe relatie tussen leraar en leerling.
Sjams herinnert zich
“De jaren dat ik lesgaf waren wisselvallig: soms zacht, soms onbarmhartig — en altijd intens. Ik had een groep leerlingen en vanuit goede bedoelingen en raad sprak ik soms streng tegen hen. Ze zeiden later: ‘Toen we nog kinderen waren, sprak hij ons nooit op zo’n manier toe. Misschien is hij melancholisch geworden.’ Ik sloeg dat zachte gedeelte van mezelf destijds kapot; het viel me zwaar en ik reageerde met strengheid die velen als wreed hebben ervaren.”
Toewijding en angst
“Er was een jonge man, een jongen nog, die alles wat ik zei opvatte als een heilig bevel. Hij week niet van mijn zijde, vermeed zelfs zijn ouders en zat dag en nacht bij mij alsof hij betoverd was. ‘Ik zie het als een opdracht en eredienst om mij aan u vast te plakken,’ zei hij eens. Zijn ouders huilden en beefden om dit aan te moeten zien, maar hij leefde in voortdurende angst om door mij afgewezen te worden. Soms stond ik bij de deur om hem te horen bidden; dan zong hij verzen die recht uit zijn hart kwamen, zoals: ‘In uw laantje is het een komen en gaan van minnaars; tranen van pijn stromen uit hun ogen terwijl ze verder trekken.’ Ik vroeg hem het te herhalen, maar hij weigerde. Hij stierf jong, nog maar achttien. Zijn toewijding en zijn vroege dood hebben me nooit meer losgelaten.”
Strengheid en resultaat
“Ik wist dat mijn strengheid hard was, maar ik zag het als de enige manier om het jonge hart te vormen dat anders verloren zou gaan. Wanneer een kind bij mij kwam, vroeg ik de vader: ‘Komt u omdat u het zat bent om toezicht te houden, of omdat u werkelijk wilt dat hij leert?’ Als het antwoord was dat het kind liever buiten speelde, greep ik de jongen bij de voeten, sloeg hem op zijn voetzolen voor de ogen van zijn vader en stuurde hen beiden weg. Alleen wanneer een vader bereid was mij volledig te vertrouwen, kon ik beginnen. Zo leerde ik in Erzerum een jongen de hele Koran uit het hoofd reciteren in drie maanden. Zijn ouders waren zo verbaasd over zijn verandering dat zij mij vijfhonderd dirhems gaven in plaats van de afgesproken tweehonderd.”
Ondeugende kinderen en discipline
“Een andere keer werd er een levendige, ondeugende jongen bij mij gebracht. Zijn ouders stemden toe dat ik hem mocht straffen, hoe zwaar ook. Aanvankelijk gedroeg hij zich als grapjas en plaagde iedereen, maar zodra hij mijn strengheid voelde, sloeg de angst in hem toe. Op een dag scheurde hij per ongeluk een bladzijde uit de Koran. Ik greep hem bij zijn lurven en sloeg hem met het riet totdat zijn handen en voeten bloedden. Hij bleef een week weg, en zijn ouders kwamen op hun knieën bedanken toen hij terugkeerde.
De jongen veranderde: stiller, gehoorzamer en oplettender. Binnen korte tijd kende hij de Koran volledig uit het hoofd en riep hij de oproep tot gebed met een stem die iedereen ontroerde. Hij werd mijn assistent. Sommigen noemden mij een tiran, anderen prezen mij omdat ik kinderen vormde die anders verloren zouden gaan.”
Reflectie op charisma en onbevangenheid
“Ik geloofde dat mijn strenge methode — hoe pijnlijk ook — vaak de enige manier was om het jonge hart en de aandacht te winnen die anders verstrooid zouden raken aan spel, luie gewoonten of andere verleidingen. Toch bleef ik aan mezelf twijfelen. Soms voelde ik me zuiver, waardig, beheerst; andere momenten leek diezelfde zuiverheid, vermengd met mijn uitstraling en innerlijke kracht, kinderen juist te drijven tot een soort dolheid, gevangen door de intensiteit van mijn aanwezigheid. Zo herinner ik me een kind dat, overweldigd door mijn charisma en onbevangenheid, letterlijk op mij afrende en zich aan mij vastklampte. Ik sloeg hem; er was geen begeerte, mijn verlangen was volledig gedoofd — maar de ervaring liet diepe indruk achter.”
Menselijkheid
“Ook ik ben een mens. Ik droomde eens waarin een stem sprak: ‘Je nafs (je dierlijke ziel) heeft ook rechten, geef ze wat haar toekomt.’ Kort daarna liep ik door een straat en werd ik aangetrokken door een schoonheid. Ik gaf haar een paar dirhems en bracht de nacht met haar door. Ik zag het niet als een valkuil, maar als iets dat gewoon gebeurde — een ervaring die mijn pad tijdelijk kruiste, zonder mij voorgoed af te leiden.”
Persoonlijke reflectie
De verhalen van Sjams zijn complex en gelaagd. Aan de ene kant lezen ze als confessie: hij erkent de pijn en angst die hij kinderen bezorgde, en hij reflecteert op zijn eigen twijfel en menselijkheid. Aan de andere kant laten ze zien hoe hij strengheid en discipline zag als noodzakelijke middelen om aandacht, toewijding en morele vorming bij zijn leerlingen te bereiken. Zijn charisma en onbevangenheid versterkten het effect van zijn aanwezigheid, waardoor kinderen zowel angst als diepe toewijding ervoeren.
Voor mij krijgt dit een persoonlijke dimensie. Mijn opa, dominee, preekte in 1951 over goddelijke opvoedkunde:
“Die kastijding (door ouders) was niet uit lust tot plagen, maar met wijze vaderlijke bedoeling. We moesten opgevoed worden. Opgevoed tot onze levenstaak.”
Als kleinzoon ben ik er getuige van geweest welke beschadiging en gebrokenheid dit bij zijn kinderen, kindskinderen en wellicht ook bij de kinderen in zijn gemeente heeft achtergelaten. De woorden van Sjams laten zien hoe dezelfde spanning tussen intentie en effect, strengheid en menselijkheid, ook in andere tijden en culturen voorkomt — en hoe belangrijk het is om kritisch te blijven over de manier waarop we jonge mensen vormen.

