Er was eens een jongen die dingen leek te horen die anderen niet konden horen.
Zijn vader noemde hem weleens “mijn vreemde kind” — niet uit boosheid, maar uit verwarring. “Hij is niet gek,” zei hij dan, “maar wat hij wél is… dat weet ik ook niet.”
Vanaf jonge leeftijd leefde Sjams — want zo heette hij — in twee werelden tegelijk. Terwijl andere kinderen zich verwonderden over speelgoed of sprookjes, luisterde hij naar stemmen zonder geluid. Woorden zonder taal. Als hij vroeg: “Wat zijn dat voor woorden?”, kreeg hij als antwoord: “Dat zijn speelgoedjes, bedoeld voor jouw wereld.”
Soms leek het alsof hij zelf had gekozen om geboren te worden. “Jij wilde een huis van water en klei,” fluisterde een innerlijke stem, “en ik moest doen alsof ik niets zag.” Wat betekende dat? Misschien dat Sjams — zoals ieder mens — op aarde kwam uit verlangen naar ervaring. Naar leven. Zelfs als het pijn zou doen.


En pijnlijk was het soms. Als kind verloor hij plotseling zijn eetlust, dagenlang. Niet omdat hij ziek was, maar omdat hij vanbinnen zo vol zat. Vol van iets wat hij niet kon uitleggen. Zijn ouders vroegen bezorgd: “Wat is er met je? Waarom eet je niet?” Hij haalde zijn schouders op. Hij wist het zelf ook niet. “Als je wilt,” zei hij eens tegen zijn moeder, “vlieg ik zo het raam uit.”
Hij voelde zich als een eendje onder kippen — geliefd, maar onbegrepen. Zijn vader zei: “Wat moet er van je worden?” En Sjams antwoordde: “Jij bent als een kip die eendeneieren uitbroedt. Als het water dichtbij komt, springen de eendjes er zo in. Maar de kip blijft aan de oever staan. Zij kan niet mee.”
Zijn vader was een goed man. Eerlijk, vriendelijk. Maar hij kende het vuur niet waar Sjams van brandde.
Soms kwam er een vreemde man langs in de stad. Hij werd voor krankzinnig gehouden, maar sprak over onzichtbare dingen alsof ze gewoon op straat lagen. Op een dag stormde hij op Sjams’ vader af met gebalde vuist. “Als dit kind er niet was geweest,” riep hij, “had ik je in de rivier gegooid!” Daarna draaide hij zich naar Sjams en zei zacht: “Moge jij gelukkig zijn.”
Wat bedoelde hij? Misschien zag hij iets in de jongen wat anderen niet zagen.
Sjams voelde dat zelf ook. Alsof er goed nieuws in hem zat dat hij nog niet kon uitleggen. Mensen vroegen hem: “Wat heb je nodig? Kleren? Geld?” En hij zei: “Laat alles maar verdwijnen — als ik mezelf maar terugkrijg.”
Soms leek het alsof hij danste — niet met zijn lichaam, maar vanbinnen — alsof hij werd meegevoerd in een draaikolk van licht. “Zoals een hongerige zijn hand uitsteekt naar brood,” zei hij later, “zo greep ik naar dat vuur. En het greep mij terug.”
Dat vuur had geen naam. Geen gezicht. Maar wie het eenmaal had geproefd, wilde nooit meer iets anders.
Zo begon het verhaal van Sjams van Tabriz — niet als een gewone jeugd, maar als een stille botsing tussen werelden. Tussen het zichtbare en het onzichtbare. Tussen liefde die begrijpt, en liefde die overstroomt.
